Aad van Diemen, natuurgids bij IVN Mark en Donge

Aad van Diemen, natuurgids bij IVN Mark en Donge

FOTO: Eric Linssen
Aad van Diemen (74) is al vanaf zijn studententijd natuurgids bij het Instituut voor Natuureducatie (IVN). Inmiddels zijn daar zoveel aanverwante functies bijgekomen dat hij daar 30 uur per week mee bezig is. Zijn kinderen en kleinkinderen wonen in Groningen. Wie: Aad van Diemen (74) Beroep: sinds 11 jaar met VUT, voorheen beleidsmedewerker sociale zaken bij de gemeente Rotterdam Vrijwilligerswerk: begon halverwege de jaren ’80 als natuurgids bij IVN Mark en Donge. Sinds: halverwege de jaren ’80 Uren per week: aanvankelijk een halve dag in de week, momenteel 30 uur per week. Wat houdt je vrijwilligersbaan precies in? ‘Ik was altijd al geïnteresseerd in de natuur, was vogelaar en daardoor ook geïnteresseerd in planten, want daar vliegen die beestjes toch naartoe. Maar ik wist er te weinig van en zo kwam ik terecht bij een opleiding als natuurgids. Die duurt twee jaar. Daarna neem je mensen mee op stap, vaak op zondagmiddag.  We hebben ongeveer vijftig gidsen en vijftig wandelingen uitstaan. Die wandelingen zijn educatief. In de herfst vertel je over herfstverschijnselen, in de lente over wat er dan te zien is. Ik weet niet waarom precies maar ik ben zelf enthousiast. Ik articuleer goed, ben op de juiste momenten stil, observeer mijn publiek. Als ze afhaken, pak ik dat op. Je moet nooit sneller gaan dan de langzaamste. Zijn er kinderen bij, dan gaat het altijd goed. De volwassenen staan er vervolgens ontspannen bij en nemen alles goed in zich op. Ik ben nog altijd natuurgids en ben bovendien nu bestuurslid bij het IVN. Bestuurswerk doe ik ook bij natuurplein ‘De Baronie’, een samenwerkingsverband van een zevental groene organisaties van de Baronie (bijvoorbeeld de West-Brabantse Vogelwerkgroep en natuur- en landschapsvereniging Gilze Rijen). Één dag per week werk ik bij het Natuurmuseum Brabant (in Tilburg) als conservator bijen en wespen. Er zijn ongeveer 360 soorten bijen en ook 360 soorten wespen. We zijn bezig alle vondsten vanuit het verleden in te voeren; er liggen nog duizenden vondsten te wachten. Bijen en wespen worden als ze dood zijn op een speld geprikt. Om ze in een database te stoppen, moet de juiste naam, vindplaats en datum worden vermeld. Daarna kan die database landelijk, en via die stap ook Europees en wereldwijd worden geraadpleegd. Zo kunnen we bijvoorbeeld constateren of soorten toe- of afnemen. Verder zit ik in een insectenwerkgroep. Op de vliegbasis Gilze Rijen was er nooit onderzoek gedaan, om begrijpelijke redenen. Ik heb er vijftien jaar rondgelopen om te inventariseren. Voor de begraafplaats Zuylen heb ik ook onderzoek gedaan. Er werden bloemen gezaaid tussen de graven. Of er ook bijen op afkwamen, vroeg directeur Roel Stapper zich af. Wij hebben dat onderzocht. Het hielp. Alleen de nabestaanden begonnen te klagen over de bijen, dus stopte dat. Als lid van de insectenwerkgroep doe ik in elk geval onderzoek, iets dat verwant is aan mijn opleiding als (sociaal) wetenschappelijk onderzoeker. Als lid van de plantenwerkgroep inventariseren we de ‘kilometerhokken’. Heel Nederland is ingedeeld in kilometerhokken, een bestaande indeling door Floron, Floristisch Onderzoek Nederland. Iedere tien jaar worden al deze kilometerhokken nagelopen op welke planten zich erin bevinden. In de steden heb je veel meer planten, wel tot vijfhonderd verschillende soorten per vierkante kilometer. Tenslotte ben ik nog eindredacteur van www.stadsplanten.nl. Ik schrijf en maak foto’s voor de site. Het is de opvolger van stadsplanten Breda, daar is een boekje over verschenen. Recent kwam daar een landelijke opvolger van: Stoepplanten (in samenwerking met de Hortus Botanicus in Leiden). Iedere week wordt er op website Stadsplanten.nl een stukje geplaats door een van de twaalf schrijvers. Zij bepalen zelf waar ze over schrijven, iedere week een andere plant. Ik maan ze aan om de deadline te halen en kijk de teksten na. Hoe ben je erin gerold? Ik was klaar met mijn natuurgidsenopleiding, dat was vooral gericht op het educatieve aspect. Veldkennis kwam minder aan bod. Bij Wolfslaar was er in de tachtiger jaren een natuurtuin, dat moest nog ontwikkeld worden. Ik wilde wel eens weten wat daar allemaal speelde. Ik kocht veel boekjes om me in te lezen. Met name de insecten waren onderbelicht, terwijl dat 90 % van de biodiversiteit is. Via Loek Vingerhoeds, een biologiedocent die daar ook rondliep, ben ik in de bijen gerold. Hij was bereid om mij op te leiden. Waarin verschilt het van je ‘gewone’ werk? Het verschilt qua thematiek. Ik had te maken met mensen in sociale verbanden, organisaties enzo. Dit gaat over natuur, over leven dat zijn eigen gang gaat. Het heeft wel te maken met onderzoek, daarvoor was ik natuurlijk opgeleid. Je moet nieuwsgierig zijn, willen weten hoe dingen in elkaar zitten. Maar het gaat niet alleen om de statistiek; ik wil ook dingen overbrengen, met name de schoonheid van de natuur. Ik wil mensen de waarde van de natuur laten ervaren. Misschien gaan ze dan anders kijken. Ik hoop natuurlijk dat de achteruitgang van ons milieu stopt. Wat kost het je? Het helpt dat mijn partner bijna net zo geïnteresseerd is als ik. Ze is ook natuurgids. We inventariseren samen terreinen. Zij de vlinders, ik de bijen. Zo conflicteert het niet en hebben we leuke dagen samen. Wat me soms wel tegenstaat is het bestuurlijke werk. Natuurplein bestaat uit allerlei beleidsnota’s, de ene nog saaier dan de andere. Je krijgt te maken met bezwaarschriften waarop je moet reageren, alles in onbegrijpelijke, ambtelijke taal. Dat is wel eens zwaar. Je hebt dan van tijd tot tijd een succesje nodig, zoals een geplande varkensfokkerij aan de grens tegenhouden. Want die varkensfokkerijen stoten enorm veel CO2 uit. Als dat bij een kwetsbaar gebied gebeurt, is het een succes als dat kan worden tegengehouden. Wat brengt het je en wat is je leukste ervaring? Ik help mee de achteruitgang tegen te houden. Het is maar de vraag of dat lukt. Wat we in elk geval willen is dat er enclaves komen, waarin soorten kunnen overleven. De boel staat onder druk door CO2-uitstoot, herbiciden, pesticiden, maar ook door verkeer en recreanten. De leukste ervaring was in de plantenwerkgroep. In Nederland hebben we maar een paar duizend wilde plantensoorten. Die staan allemaal in Heukels, de plantenbijbel zeg maar. Het inventariseren lukte me steeds beter. Op enig moment besefte ik dat ik iedere plant in Nederland kon benoemen. Het voelde alsof ik me daarmee alle flora in Nederland kende, alsof ik geslaagd was voor een examen. Maar dat was zelfopgelegd. Het was een diep, euforisch gevoel, dat ik zoiets onder de knie had gekregen. Ik hoorde vanaf dat moment bij de ‘kenners’. Welke tips heb je voor anderen? Als natuurbeschermer en -liefhebber is mijn tip: begin met te kijken dichtbij huis. Wat helpt is letten op de kleine dingen. Dus bekijk de dingen eens onder een vergrootglas. Dan zie je bijvoorbeeld dat stampers en meeldraden in bloemen enorm complex in elkaar zitten. Kleine beestjes zijn zeer gedetailleerd vormgegeven. Bij bijen zie je het verschil tussen mannetjes en vrouwtjes. Je ziet een ingenieuze wereld, net zo compleet als onze eigen wereld, maar vele malen ouder dan de onze. Insecten zijn negentig of honderd miljoen jaar terug ontstaan. Wij zijn daaruit ontstaan. Ze zullen ons waarschijnlijk overleven. Als je dat beseft, komt je eigen bestaan in een heel ander perspectief te staan. Het relativeert enerzijds ons belang; anderzijds zijn we er onderdeel van. Wij zijn geen eindproduct, iets dat wij vaak denken, maar staan in een reeks. Waar halen we dat idee eigenlijk vandaan dat we eindpunt zijn? Goed kijken naar de natuur levert ons veel meer op dan alleen kennis. Met zo’n filosofische blik kunnen we samen de achteruitgang van de natuur stoppen.’