Lous Geelkerken al 65 jaar vrijwilligster

Lous Geelkerken al 65 jaar vrijwilligster

Held van December Lous is niet alleen heilsoldaat van het Leger des Heils, maar ze is ook op vele andere plekken vrijwiligster. En dat al meer dan 65 jaar!

‘Ik ben geboren in Amsterdam en ik ben de oudste van zes kinderen. Omdat mijn ouders allebei geen sterke gezondheid hadden was ik al snel degene die op de andere kinderen lette en voor ze zorgde. Ik nam ze mee naar de speeltuin en verzon allerlei spelletjes. Daar deden ook andere kinderen aan mee. Zo rolde ik vanzelf in het vrijwilligerswerk.
Toen ik elf, twaalf jaar was, werd ik gevraagd om in de speeltuin in Amsterdam-Zuid te helpen. Ik genoot er van, was dol op kinderen en besloot dan ook kleuterjuf te worden. Tijdens de zomervakanties organiseerde ik de vakantieschool in Amsterdam, voor kinderen uit de volkswijken, en later de zomerkampen. Een geweldige tijd!

In ons gezin was geloof heel belangrijk. Wij waren lid van de Remonstrantse kerk. Maar zo rond mijn twintigste vond ik daar niet meer wat ik zocht. Een vriendin met wie ik in een koor zong vroeg of ik mee wilde naar de Middernachtzending van Majoor Bosshardt. Dat deed ik; ik vond het geweldig. De majoor liep voorop, samen met een accordeonist, en wij liepen er in optocht achteraan en zongen liederen.
Na een aantal weken vroeg mijn vriendin: “Waarom kom jij niet bij het Leger, je vindt dit toch mooi? Waar wacht je op?” Een nog belangrijker vraag was: “Hoe kan je nee zeggen tegen God en geen ja?”
Die vraag zette me echt aan het denken, ik wilde vooral weten waarom ik “ja” zou zeggen. Ik vond de Remonstrantse kerk vrij elitair, ik groeide bevoorrecht op. Maar met de majoor kwam ik op de Wallen, in de volksbuurten, dat  trok mij aan, daar kon ik echt iets betekenen. Ik werd ook leidster bij de kabouters en de padvinders van het Leger des Heils. Met de majoor ging ik op huisbezoeken, we verkochten de Strijdkreet en ik zag hoe zij echt met iedereen kon praten en naar iedereen luisterde. Dat wilde ik ook. Dit inspireerde me ook om maatschappelijk werk te gaan studeren. Na een paar jaar meelopen met de majoor werd ik in 1964 officieel Heilsoldaat.

Gaandeweg ging een deel van ons gezin mee naar het Leger en werd het hele gezin, op mijn vader en een broer na, ook heilsoldaat. Na het overlijden van mijn vader verhuisde mijn moeder en de rest van het gezin naar het oosten van het land, ik volgde hen. In Hoogeveen ben ik de koffiebar begonnen vanuit het Leger en gaf ik les aan corpscadetten ter voorbereiding op het heilsoldaatschap. Ik deed maatschappelijk werk en dat hield niet op na werktijd; ik probeerde voor iedereen die problemen had klaar te staan.

Het waren tropenjaren. Toen ik voelde dat het teveel werd voor me, besloot ik even wat rust te nemen en werd ik hoofd op een kinderdagverblijf, bij de kleuters. Ik voelde gewoon dat ik er anders aan onderdoor zou gaan. Maar na dat jaar trok het maatschappelijk werk me toch weer. Na wat omzwervingen in het oosten van het land ben ik uiteindelijk in Breda terechtgekomen, als maatschappelijk werker in het revalidatiecentrum. Natuurlijk was ik ook hier actief voor het Leger, vooral bij het Open Huis. Maar ook in de verschillende buurten waar ik heb gewoond deed ik van alles. Ik maakte bijvoorbeeld kerststukjes met de buurtkinderen en bakte oliebollen voor 70-plussers. Het Open Huis is erg belangrijk voor me geweest, ik heb nog altijd contacten met medevrijwilligers en bezoekers uit die tijd en ik ben er ook nog niet zo lang weg. Ik knutselde daar met moeders en kinderen, gaf leiding aan de jeugdafdeling en deed ook nog steeds openluchtwerk. Veel mensen kennen daar het Leger des Heils van, omdat we rond Kerst met onze geldpotten op drukke plaatsen stonden. Dit jaar kan dat helaas niet.

Na achttien jaar werd mijn functie bij het revalidatiecentrum wegbezuinigd en kwam ik opnieuw voor de kleuterklas, dit keer bij de Vrije School. Ik heb daar weer met heel veel plezier gewerkt en had het erg druk met al het vrijwilligerswerk daarnaast. Na mijn pensioen heb ik me gemeld als vrijwilliger bij StiB bij de palliatieve zorg en bij de stichting Mentorschap. Daar begeleidde ik mensen die dementerend zijn, ik was  contactpersoon tussen hen en de zorg, ik heb denk ik zes personen langdurig begeleid. Ik zette me ook in voor het Alzheimercafé, waar we een van de eerste telefooncirkels hebben georganiseerd. Omdat ik een nachtmens ben, vond ik het niet erg als ik ’s nachts werd gebeld! Maar gaandeweg ging er steeds meer via de computer, er kwamen steeds minder bellers en uiteindelijk is de telefooncirkel Breda opgeheven en ben ik overgestapt naar het landelijke netwerk. Ik heb nog wel computercursussen gedaan, maar het digitale contact past niet bij me en dus ben ik daarmee gestopt.

Mijn hele leven heeft in het teken gestaan van het Leger des Heils. Ik heb nooit de behoefte gehad om mensen te bekeren, maar wilde hen wel laten zien wat het voor je kan betekenen als je God naast je hebt in je leven. Ik had nooit de behoefte om te trouwen en zelf kinderen krijgen wilde ik niet. Ik heb altijd gezegd: ik heb er al genoeg!
Ik ben altijd met kinderen bezig geweest, moest van jongs af aan veel zorgen en was blij dat ik ze weer terug aan hun ouders kon geven! De Koninklijke Onderscheiding die ik een aantal jaren geleden kreeg, vond ik een blijk van waardering voor mijn inzet voor anderen. Maar het vrijwilligerswerk heeft ook heel veel voor mij betekend, zeker ook in de moeilijke tijden van mijn leven, want die waren er natuurlijk. Hoe ellendig ik me ook voelde, ik wist dat er mensen waren die op mij rekenden. Ik ging er naartoe en kwam opgeknapt terug. Het geeft zoveel voldoening om iets voor een ander te doen. En ook al heb ik een groot deel van mijn leven alleen gewoond, eenzaam ben ik nooit geweest, want ik heb altijd God naast me gevoeld.’