Loveness Anaman helpt vrouwen uit hun isolement

Foto: Henk Ketelaar

Loveness Anaman (62) zet zich al decennialang op vele fronten belangeloos in voor het welzijn van de hier in Breda verblijvende vrouwen uit Afrika en voor een school die zij in haar geboordeland Ghana achterliet.

Door Henk Ketelaar.  Foto: Henk Ketelaar

Wie: Loveness Anaman
Vrijwilligerswerk: Niet westerse vrouwen uit hun isolement helpen
Sinds: 1984
Uren per week: 40 uur en meer

Hoe ben jij hier in Nederland verzeild geraakt?
‘Met mijn ex-echtgenoot ben ik in 1984 vanuit mijn geboorteland Ghana naar Nederland gekomen en ging ik in Rotterdam wonen. Elf jaar later (1990) ben ik verhuisd naar Breda en heb ik hier drie van mijn vier kinderen en twee adoptiekinderen grootgebracht. Een oudste zoon is na onze echtscheiding bij mijn ex-echtgenoot opgegroeid. Hoewel Ghana mij nauw aan het hart ligt, voel ik mij erg gelukkig in Nederland en vind ik het fijn hier te leven en te wonen.

Hoe ben jij in het vrijwilligerswerk gerold?
Eigenlijk ben ik zonder het te beseffen al kort na mijn aankomst in Nederland als vrijwilliger aan het werk gegaan. In Ghana liet ik familie, vrienden en kennissen achter. Ik ben altijd met hen in contact gebleven. Omdat zij daar een tekort hebben aan schoolmiddelen, laptops, kleding, naaimachines, gereedschappen, rollators en andere gebruiksvoorwerpen, zamel ik die spullen voor hen in en stuur ze op. Als opslagplaats heb ik mijn garagebox leeggeruimd. Ik doe veel voor de Happy Home Academy in Accra. De gebruiksvoorwerpen die ik opstuur worden bij voorkeur aan vrouwen gegeven om een daar bedrijfje op te zetten. Zo heb ik intussen al heel wat mensen in Ghana en in andere Afrikaanse landen aan een zelfredzaam bestaan geholpen.    

Tot mijn verbazing maakte ik hier in Nederland kennis met het fenomeen dat veel vrouwen van niet westerse afkomst nauwelijks of niet meedoen aan de Nederlandse samenleving en veelal in armoede leven. Vooral Afrikaanse vrouwen houden zich met veel zelfbeklag schuil en zijn in een sociaal/maatschappelijk isolement geraakt. Om deze vrouwen weer in hun kracht te zetten coach ik ze naar een beter bestaan en daarmee ook tot een positiever zelfbeeld. Pas dan zijn ze in staat om in plaats van klagen en bij de pakken neer te zitten, mee te doen aan het maatschappelijk verkeer.

Een door mij begonnen Vrouwenstudio helpt mij daarbij. Zelfstandigheid en zelfvertrouwen zijn de sleutelwoorden waar ik naar toewerk. Ze moeten het zelf doen; daar stuur ik op. Al doende maakte ik kennis met tweedehands kledingwinkels en de voedselbanken in Rotterdam en Breda. Mede omdat ik snel het Nederlands wilde leren, ging ik als vrijwilliger eerst bij deze voedselbanken aan de slag en later bij het verzorgingscentrum Huize Raffy. Als intermediair help ik vanuit mijn expertise eveneens geheel belangeloos organisaties, instellingen en advocaatkantoren als ze hulp nodig hebben bij verzoeken en aanvragen van mensen die uit Afrika komen. Met het vorderen van de jaren werd mijn vrijwilligerswerk steeds omvangrijker en uiteenlopender van aard. Intussen heb ik al heel wat vrouwen van Afrikaanse afkomst uit hun geïsoleerde positie weten te halen.

Welke eigenschappen moet je hebben om dit vrijwilligerswerk te doen?
Als Ghanese ken ik de cultuur van mensen die in Afrika opgroeien. Vanuit die cultuur zien en beleven zij het als een vanzelfsprekendheid dat zwarte mensen sociaal en maatschappelijk minder privileges en vrijheden hebben dan witte mensen. Iets dat natuurlijk helemaal niet zo is. Zelf ben ik zo ook grootgebracht en weet ik dus hoe moeilijk het is om daarvan los te geraken en voor jezelf op te komen. Vooral als armoede je deel is. Luisteren, invoelen, erin geloven en levenservaring zijn de dingen die mij helpen dit vrijwilligerswerk te doen.

Wat kost het je? En waarom onbetaald werk?
Per week ben ik er toch zeker wel op de één of andere manier meer dan 40 uur mee bezig. Nu mijn kinderen groot zijn kan ik er gelukkig zoveel tijd insteken. Dat ik er niet voor word betaald is voor mij totaal onbelangrijk. Bovendien leven de mensen die ik help op bijstandsniveau en al zouden ze mij willen betalen dan zou ik het niet accepteren.

Wat brengt het je?
Het vrijwilligerswerk kost mij weliswaar veel tijd en energie maar het levert mij op ook veel energie op. De tijd en aandacht die ik ervoor over heb, krijg in ik levensvreugde dubbel en dwars terug. Ik heb al veel vrouwen in hun kracht gezet. Zelfredzaam en zelfbewust staan ze nu in het leven en daar word ik blij en vrolijk van. Ik wil er nog wel jaren en jaren mee doorgaan. Zolang mijn gezondheid dat toelaat blijf ik het dus ook doen.

Welke dromen heb je?
Mijn droom is dat er ooit nog eens een bevrijdingsmonument komt voor zwarte mensen. Een monument dat tot uitdrukking brengt dat wij, mensen van Afrikaanse afkomst, ons bevrijd voelen van de vernedering en verdrukking die wij bijna tweehonderd jaar lang hebben doorstaan en incidenteel nog ondergaan. Het moet wel een monument zijn dat betaald wordt met geld dat de samenleving opbrengt, dus niet met geld van overheden, bedrijven, instellingen of organisaties. Iedereen die achter deze gedachte staat zou er zijn steentje aan moeten bijdragen. Een groter draagvlak kan ik mij niet bedenken. Waar het monument moet komen maakt mij niet zoveel uit, maar in Ghana of een ander Afrikaans land zou wat mij betreft prachtig zijn. Dat is mijn droom die wellicht ooit nog eens uitkomt.

Welke boodschap heb je voor anderen?
Ongeacht van welke afkomst je ook bent, wees trots op jezelf, klaag niet en ben proactief.’

In de rubriek Held van de Maand zetten we mensen in de schijnwerpers
die zich langdurig onbetaald hebben ingezet.

De ‘Held van de Maand’ vind je ook op BredaVandaag.nl
en in de huis-aan-huiskrant van BredaVandaag.

Lees het artikel over Anaman in de digitale krant op BredaVandaag.nl

Ed Fortuin, bijna-vergeten held van de Galderse Meren

Ed Fortuin is een bijna-vergeten Held. Hij zorgde er in de jaren ’70 onder andere voor dat het (naakt)strand aan de Galderse Meren ontstond. Ed is overleden op 7 juli jl. Hij heeft het uitroepen tot Held van Breda nog in volle bewustzijn meegemaakt.

Door Martha IJzerman.  Foto: Ad van Beckhoven

Wie: Eduard Fortuin
Beroep: Eigenaar en instructeur surfschool Little Feet, portier bij de suikerfabriek te Breda, jaren 70/80
Vrijwilligerswerk: Toezichthouder Galderse Meren, Initiatiefnemer Naaktstrand
Wanneer: 1976-1986
Uren per week: Wisselend

Wanneer deed je dit vrijwilligerswerk en hoe rolde je erin?
‘Begin jaren ‘70 ontstonden door de zandwinning voor de snelweg van Breda naar Antwerpen de huidige Galderse Meren. De met helder water gevulde afgravingen trokken al snel de aandacht van nieuwsgierige voorbijgangers. In korte tijd raakte het gebied bekend. Honderden mensen vonden op warme dagen hun weg naar dit aantrekkelijke oord.

‘In 1976 was er een snikhete zomer. Het duurde niet lang voordat mijn vrouw en ik er bleven kamperen en er ons potje kookten. Omdat het zo goed beviel besloten we er enkele maanden te blijven in een zelf gefabriceerd onderkomen. Vaak werd er tot diep in de nacht gefeest. Omstreeks 1977 behaalde ik mijn surfbrevet en in 1979 opende ik mijn eigen surfschool Little Feet, met een knipoog vernoemd naar mijn vrouw, Adriënne, bijgenaamd Zjietje, Voeten. Little verwees naar haar kleine postuur en Feet was de Engelse vertaling van haar achternaam. Tot mijn grote verdriet overleed Zjietje in 1986. Deze droevige gebeurtenis maakte een einde aan mijn inzet voor de Galderse Meren. Ik moest me vanaf die tijd richten op de opvoeding van mijn zoon Quinten.

Waaruit bestond je Vrijwilligerswerk?
Door de nachtelijke feesten en de vele bezoekers overdag dreigde het terrein te vervuilen. De mensen maakten er een puinhoop van. Bovendien werden er autowrakken, schroot en ander afval gedumpt. Ik realiseerde me dat er iets moest gebeuren om het gebied niet verloren te laten gaan als recreatieplek. Er moest duidelijkheid komen over de bestemming van het gebied en om te beginnen moest de rommel worden opgeruimd. We regelden containers voor het afval en lieten deze met toestemming van de ouders beschilderen door kinderen, die dat erg leuk vonden. Zo werd er op een speelse manier aandacht op gevestigd. Verder motiveerde ik de bezoekers om zoveel mogelijk hun troep op te ruimen, zodat dit geen aanleiding voor de plaatselijke overheden zou zijn om ons te verjagen.
In het water lagen een aantal autowrakken die een gevaar vormden voor de zwemmers. Naar aanleiding van een tragisch ongeval, waarbij een jonge jongen tijdens het duiken zijn nek brak en overleed, lieten we de wrakken met spoed verwijderen. Dat deden we via eigen contacten, waaronder een groep commando’s, en met eigen middelen. Wachten op adequaat handelen van de gemeenten duurde te lang. Gesteund door mederecreanten, voerden we met succes actie tegen de levensgevaarlijke rondvarende speedboten. Al met al was het resultaat dat de Galderse Meren in korte tijd een prettig en veilig recreatiegebied werd.

De officiële erkenning van het naaktstrand is een ander verhaal. Aan de noordoostelijke hoek van de oudste grote plas was er min of meer spontaan een strand voor naturisten ontstaan. Dit gedeelte van de plassen was het meest aan het oog onttrokken. Eerst was naturisme hier verboden en werden er boetes uitgedeeld, later werd het gedoogd. Ik wilde dat het naaktstrand officieel erkend zou worden. Met dit idee waren velen het eens en ook toenmalig PvdA raadslid Rein Welschen (later burgemeester van Eindhoven red.) stond achter mij. Na lang procederen en een aantal keren in hoger beroep te zijn gegaan is het vanaf 1979 tot op heden wettelijk toegestaan om op deze plek naakt te recreëren.

Welke eigenschappen had je ervoor nodig?
Om actie te voeren heb je een flinke dosis strijdlust en gezond verstand nodig. Verder was ik zeer gemotiveerd en gedreven om de Galderse Meren niet te laten verpauperen. Het is een unieke plek. Het water heeft een vrij hoge zuurtegraad waardoor er geen algen- of plantengroei mogelijk is en er ook geen vissen kunnen leven. Het water blijft helder en is haast tropisch blauw.

Naturisme lag me ook na aan het hart. Mijn motivatie gaf me de kracht en de energie om me voor de volle 100% in te zetten. Het ligt niet in mijn aard om snel op te geven en. Ik ben nogal een doordouwer als ik ergens in geloof.

Wat kostte het je/Waarom onbetaald werk?
Het heeft vooral veel tijd en inspanning gekost om te vechten tegen de onwil en onbekwaamheid van de betreffende ambtenaren en de bureaucratie van de drie gemeenten, Rijsbergen, Breda en Nieuw Ginneken, die zeggenschap over het gebied hadden. Ze vertoonden weinig bereidheid om mee te denken. Het idee van de gemeente Rijsbergen om er een afvalstort van te maken was gelukkig als eerste van de baan. Al snel kon men niet om de vele bezoekers heen. Dat mijn werk niet werd betaald maakte me niet zoveel uit. De passie, het plezier en de innerlijke motivatie waren groot. Ik verdiende mijn geld met mijn surfschool en de bewaakte opslag van surfplanken. In de winter was ik portier bij de suikerfabriek.

Wat bracht het je en wat was je leukste ervaring?
Ik kijk met veel plezier terug op de nachtelijke feesten en de maanden die ik er met mijn gezin bivakkeerde.

De periode die ik samen met mijn vrouw en mijn zoon bij de Galderse Meren doorbracht en het voor elkaar krijgen van de officiële erkenning van het naaktstrand zijn hoogtepunten van mijn leven.’

Welke tips heb je voor anderen?
Je passie volgen. Je niet tegen laten houden door regels en de overheid. Er is maar één weg en dat is je eigen weg. Als je die weg niet volgt dan doe je het verkeerd.’

In de rubriek Held van de Maand zetten we mensen in de
schijnwerpers die zich langdurig onbetaald hebben ingezet.

De ‘Held van de Maand’ vind je ook op BredaVandaag.nl
en in de huis-aan-huiskrant van BredaVandaag.

Lees het artikel over Eduard in de digitale krant op BredaVandaag.nl

Angela Bison helpt verslaafden in Breda

Angela Bison lijkt op het eerste gezicht misschien geen held, gezien haar vroegere drugsverslaving. Maar ze zet zich nu niet alleen structureel in, ze heeft eerst ook heel wat moeten overwinnen. Vooral herstellen van schade vroeg moed en doorzettingsvermogen. 

Wie: Angela Bison 
Vrijwilligerswerk: 
Coördineert zelfhulpgroepen voor verslaafden in Breda 
Sinds: 2012 
Uren per week: 6 uur 

Wat houdt je vrijwilligerswerk precies in? 
‘Als herstellende verslaafde help ik mee met het organiseren van zelfhulpbijeenkomsten voor verslaafden en zorg ik ervoor dat die blijven draaien. Bij die zelfhulpgroepen ben ik een mede lotgenoot, gewoon één van de groep. Ik probeer een voorbeeld te zijn en te delen vanuit eigen ervaring. Ook ben ik het eerste aanspreekpunt van mensen uit ontwenningsklinieken. Ik regel dat de mensen bij elkaar kunnen komen, zorg dat er geen klachten komen en dat er een penningmeester is. Ook hou ik de website bij. Al die dingen doe ik niet allemaal zelf, ik zet ook veel uit aan andere mensen in de groepen. Nu, met corona, is het een heel gedoe om ervoor te zorgen dat de groepen door kunnen gaan.

Ook zijn de groepen nu noodgedwongen kleiner. Terwijl er eerst vijftig mensen in een groep konden zijn dat er nu nog maar twintig.Voor een aantal groepen ben ik ook contactpersoon en 24/7 bereikbaar. In de praktijk valt het wel mee met het bellen, omdat verslaafden nu eenmaal niet graag om hulp vragen. 

Hoe ben je erin gerold? 
Vanaf mijn 15e tot mijn 31e was ik zelf verslaafd aan drugs en alcohol. Ik groeide op in een dorp bij Rotterdam, in een gewoon gezin. Thuis werd er niet gerookt of gedronken. Toen ik een jaar of tien, elf was ging mijn vader een tijdje apart wonen. Ik kon daar heel moeilijk mee omgaan. Mijn moeder was duidelijk erg verdrietig in die periode, maar emoties werden niet geuit. Ik hing steeds meer op het schoolplein en begon te roken en zo nu en dan alcohol te drinken. Dat verdoofde mijn nare gevoel. Als we naar de soos gingen deelden we samen een fles bessenjenever, en later kwamen daar de Bacardi Breezers en wodka bij. Mijn vriendinnen konden zich op tijd weer op school richten, maar ik kon geen maat houden. Op school ging het daardoor slechter. Van havo/vwo kwam ik op de mavo terecht. Toen ik 15 was had ik een paar keer geblowd. Ik zat in de gabber scene, waar drugs niet alleen gewoon, maar ook stoer waren. Op een gegeven moment probeerde ik ook een lijntje speed van een cd’tje dat rondging en ik nam ook paddo’s en pilletjes. Rond m’n 20e voelde ik me steeds slechter en werkten die middelen niet meer. Ik probeerde cocaïne en ik dat voelde direct als de oplossing. Op de een of andere manier lukte het mij wel om ondertussen via volwassenenonderwijs eerst mijn havo- en daarna mijn vwo-diploma te halen. De eerste studies die ik begon maakte ik niet af omdat mijn verslaving toen al heel krachtig aanwezig was. Eerst kon ik van mijn bijbaantjes de cocaïne betalen, maar op een gegeven moment stal ik daarvoor geld, van mijn ouders en uit de supermarkt waar ik werkte.

Ik kwam bij de NHTV terecht en was ook in contact met de hulpverlening. Gebruiken deed ik nog steeds, maar wel minder. Toch zag ik het belang van een toekomst en wist ik de NHTV-opleiding in drie jaar tijd af te maken. Toen ik een relatie kreeg met een man in het criminele circuit, ging het grondig mis. Ik hoefde niet te betalen voor de cocaïne en ging steeds meer gebruiken. Ik voelde heel goed dat ik mentaal en fysiek snel achteruitging, maar ik snoof dat gevoel weg. Zelf was ik toen ook crimineel actief. Ondertussen kwam ik wel thuis bij mijn moeder op verjaardagen en zo. Ik bleef nooit lang omdat ik daar veel te onrustig voor was. Zij zag wel dat het niet goed ging en weet dat aan de mensen met wie ik omging. Een van mijn zussen had wel door dat het ook met mijzelf echt mis was, maar ik liet haar niet tot mij doordringen. Ik wilde het verslaafde leven niet, maar durfde het alternatief nog veel minder aan. In die periode had ik me er al bij neergelegd dat ik er nooit meer van af zou komen.

Omdat ik toch voelde dat ik weg moest uit het milieu waar ik zat probeerde ik een nieuw begin in Costa Rica. Daar was ik voor een stage van de NHTV geweest en ik vond het daar geweldig. Ik werd verliefd en kreeg een relatie. Maar Midden-Amerika is geen goede plek om van je verslaving af te komen, en de relatie die ik had hielp daar ook niet bij. Na een jaar was ik terug in Nederland, teleurgesteld, midden in de financiële crisis, en nog steeds verslaafd. Met mijn dromen in stukken werd die verslaving steeds erger. Toch had ik steeds banen, bij een busbedrijf, bij een reisbureau en bij het UWV, waar ik besliste over uitkeringen. Direct na mijn werk kocht ik altijd alcohol en drugs, gebruikte en viel dan in een soort van coma. En iedere dag stond ik dan weer vroeg op om naar mijn werk te gaan. Ik kreeg last van ernstige lichamelijke klachten en ik wist dat het erop of eronder was; of rigoureus stoppen, of doodgaan.

Al die jaren was ik in contact gebleven met de reguliere verslavingszorg. Daar kon ik me vrij uiten, maar ik kon nooit de stap zetten om te stoppen. Ze stopten me altijd foldertjes van klinieken toe en bleven heel geduldig. Toen het zo slecht met me ging kon ik dankzij die opstelling de moed opbrengen om me te melden voor opname. Op mijn werk durfde ik dat pas de vrijdag voor mijn vertrek naar de kliniek te vertellen. Gelukkig reageerde mijn baas heel begripvol, en gaf ze me alle ruimte. Mijn collega’s bleken nooit iets van mijn verslaving te hebben gemerkt.

In de kliniek, waar gewerkt werd met de zogenaamde twaalf stappenmethode, zou ik zes weken blijven, maar dat werden drie maanden. Daarna heb ik nooit meer gebruikt. Als een van de twaalf stappen in de therapie moest ik in kaart brengen welke schade ik had aangericht en aan wie, zowel personen als bedrijven. Daar ben ik naartoe gegaan, om mijn excuses aan te bieden en vooral ook om de schade op een of andere manier te herstellen. Ik was daar hartstikke bang voor, maar over het algemeen reageerde men heel positief. Ik was nog niet zo lang clean, en sommige mensen wilden nog niet met me in gesprek. Die wilden eerst zien of ik het volhield en het wel echt meende. Dat is later gelukkig ook goed gekomen. En om de ‘karmische’ rekening te vereffenen, iets voor de maatschappij terug te doen, heb ik veel vrijwilligerswerk gedaan, bijvoorbeeld bij de dierenbescherming.

In het kader van mijn herstel was het volgen van een zelfhulpgroep belangrijk. Om terugval te voorkomen ben ik in Breda gaan deelnemen aan zo’n groep. Lotgenoten helpen elkaar, je staat er niet alleen voor. Na een jaar kon ik ook dingen voor anderen gaan doen. Dat is ook heel belangrijk voor je gevoel van eigenwaarde, iets dat je als verslaafde vaak niet echt hebt. Het begon klein, met koffie schenken, boekjes verkopen en zo nu en dan optreden als gastspreker. Dat is steeds verder uitgebreid. Zo ben ik er dus ingerold.

Hoewel ik na mijn opname weer bij het UWV zou hebben kunnen re-integreren, heb ik daar niet voor gekozen. Bij pril herstel van een verslaving is het omgaan met agressieve cliënten niet echt handig. En ze zeggen: “Om van verslaving af te komen hoef je maar een ding te veranderen. En dat is alles.” Ik bleef in de ziektewet en daarna in de WW. In 2012 begon ik met de opleiding mbo4 persoonlijk begeleider specifieke doelgroepen, om ergens goed opgeleid als ervaringsdeskundige te kunnen werken. Via die opleiding kwam ik terecht bij RIBW Brabant in Tilburg, het Regionale Instituut voor Beschermd Wonen. Na een sollicitatie kon ik daar aan de slag als ervaringsdeskundig coach. Op basis van mijn ervaringen, en als specialist in allerlei herstelprocessen probeer ik mensen deskundig bij te staan. Ik werk daar met veel plezier.

Het verlangen naar drugs en alcohol is helemaal weg. Het kost me geen enkele moeite meer en ik ben ook gestopt met roken. Ik noem mezelf nog steeds verslaafd omdat het nog steeds in me zit om ergens in door te slaan. Dat kan ook zitten in online shoppen of chocola eten. Ik moet mezelf bewust inkaderen, en dat lukt gelukkig. Ik heb een grenzeloos leven gehad en dat hoef ik niet terug.

Welke eigenschappen heb je ervoor nodig? 
Wat je absoluut nodig hebt is geduld en toewijding. Verslaafden willen vaak misschien wel, maar kunnen niet. En ze kunnen ook gewoon erg lastig zijn. Verslaving is gewoon een rotziekte, voortschrijdend, progressief en fataal. Je moet er tegen kunnen dat het veel investeren is met weinig opbrengst. Iedere maand komen er hier tientallen nieuwe mensen voor zelfhulpgroepen, die je moet opvangen en wegwijs maken. Uiteindelijk blijven er daar maar vijf of iets meer van over. De rest haakt af of verdwijnt gewoon uit zicht. En er gaan er ook best veel dood. Het is voor mij dus volhouden en positief blijven. Maar voor die vijf die het volhouden doe ik het.

Wat kost het je? En waarom onbetaald werk? 
Het kost natuurlijk tijd en energie. Ik doe dit werk naast m’n betaalde baan omdat ik graag iets wil teruggeven van wat ikzelf heb gekregen. Dit is mijn manier om iets goeds terug te doen. En natuurlijk heb ik schade veroorzaakt en heb ik mensen verdriet gedaan. Ik doe mijn best om daarvan iets te herstellen.

Wat brengt het je? 
Het geeft me het geluksgevoel om betekenisvol te zijn. Dat is voor iemand die verslaafd is geweest niet bepaald vanzelfsprekend. Ik ben er trots op dat ik mensen soms weer op weg kan helpen. En hoewel er natuurlijk richtlijnen en regels zijn, geniet ik van de vrijheid die ik heb om mezelf te zijn in het werk met deze mensen.

Welke dromen heb je? 
Ik zou wel iets in het buitenland willen opzetten waar verslaafden even kunnen resetten, bijvoorbeeld na te zijn afgekickt in een kliniek. Om mensen dan ook in hun diepere laag te kunnen aanspreken ben ik begonnen met een NLP-opleiding.  

Welke boodschap heb je voor anderen? 
12-stappengroepen hebben mijn leven gered, je bent altijd welkom om eens langs te komen om te kijken of het iets voor je is.Ook al lijkt er geen hoop meer, geef nooit op! Er is altijd ergens hulp, er zijn altijd opties.’

In de rubriek Held van de Maand zetten we mensen in de schijnwerpers
die zich langdurig onbetaald hebben ingezet.

De ‘Held van de Maand’ vind je ook op BredaVandaag.nl
en in de huis-aan-huiskrant van BredaVandaag.

Lees het artikel over Angela in de digitale krant op BredaVandaag.nl

Met hart en ziel zet Freek zich in voor de Kapeltuin

Wie: Fred van Ommeren
Beroep: Hovenier
Vrijwilligerswerk: Aanleg, onderhoud en beheer buurttuin De Kapeltuin Breda.
Sinds: 2005
Uren per week: 40 tot 45 uur

Waarom is het tuinieren jouw passie?
‘Op mijn twintigste ontdekte ik dat tuinieren voor mij een ontspannende, boeiende en een erg interessante bezigheid was, eentje waarin ik al mijn creativiteit kwijt kon. Het mooiste van tuinieren is dat je heel bewust de jaargetijden beleeft. Het boeide mij zo erg, dat het mijn beroep werd. Om het goed onder de knie te krijgen volgde ik talloze cursussen en bezocht ik zelfs seminars van de universiteit van Wageningen. Het ecologisch verantwoord tuinieren heb ik mij op deze wijze eigen gemaakt.

Waar ben je tuinman geweest?
In Groningen vond ik mijn eerste werkgever voor wie ik met een aantal vrijwilligers een groot park heb onderhouden. Helaas was het parkonderhoud een sluitpost op de begroting. Daarom hield het onderhoud op een gegeven moment op en eindigde ook mijn aanstelling als hovenier. Gelukkig vond ik soortgelijk werk bij het Historisch Openlucht Museum in Eindhoven waarvan het Prehistorisch Dorp een themapark is. Als ik op die periode terugkijk, heb ik daar de baan van mijn leven gehad.

Sinds wanneer doe je dit vrijwilligerswerk en hoe rolde je erin?
Eigenlijk al vanaf 2005, want toen kwam ik op het idee om het nog braakliggende stuk grond rondom de Kapel van Gageldonk – ter grootte van een half voetbalveld – onder mijn hoede te nemen. Omdat ik met pensioen was en de kapel niet ver van mijn woning staat, kwam ik er nogal eens. Toen al jeukten mijn handen om er een moes- en siertuin te beginnen. Een openbare tuin die ook nog eens ontmoetingsplek voor de buurt zou dienen.

Helaas was dat niet zo eenvoudig als ik dacht. De beheerder van Stichting Hendrik de Keyser, eigenaar van de grond en van de kapel, dacht daar heel anders over. Keer op keer als ik toestemming vroeg om er een buurttuin aan te leggen, ving ik bot. Pas nadat ik enkele keren eigenzinnig het kniehoge gras had gemaaid en de meer dan drie meter hoge heg had gesnoeid kreeg ik toestemming. Daarmee ging mijn lang gekoesterde wens in vervulling en maakte ik een op basis van een kloostertuin.

Na een oproep in de wijkkrant van de Haagse Beemden meldde zich een twaalftal vrijwilligers om mij te helpen bij de aanleg. Kort daarna, in 2012, hebben we de vereniging De Kapeltuin Breda opgericht.

Wat doe jij precies als vrijwilliger en hoeveel tijd steek je erin?
Elke dag van de week ben ik in de tuin te vinden, dus ook op zaterdag en zondag. Door de jaargetijden heen ben ik gemiddeld zo’n veertig tot vijfenveertig uur per week in de tuin bezig. Vakanties neem ik als de tuin daar geen nadeel van ondervindt. Naast het zaaien en planten zoek ik aan het begin van het seizoen naar ontkiemde zaailingen en kies ik welke ik wil gebruiken. Ik bemest, snoei, geleid de planten en bij droogte geef ik ze water. De paden wied ik eerst handmatig en later met de schoffel. Ik zorg ervoor, dat de paden en planten duidelijk afgebakend zijn, zodat de bezoekers niet tussen de planten doorlopen. De hekjes en tuinafscheidingen maak ik bij voorkeur van wilgentakken. Naast deze natuurlijke materialen gebruik ik als bestrijdingsmiddel uitsluitend natuurlijke stoffen, zoals brandnetelgier.  

Zijn er verschillen met het werk uit je werkzame leven en die van nu?
Vakmatig niet, inhoudelijk wel. Het is namelijk een buurttuin waar jaarlijks activiteiten worden gehouden. Ze maken een bezoek aan de tuin extra aantrekkelijk. Met de organisatie daarvan heb ik namelijk ook bemoeienis. Zo hebben we ieder jaar een optreden van een Artist in Residence. Dan treedt een kunstenaar op die zich erg bij de tuin betrokken voelt. Sinds vorig jaar doen we mee met Struinen in de tuinen. Dan wordt er een klein muziekfestijn gehouden op het grasveld achter de kapel. Voor muziekliefhebbers is er jaarlijks een Open Podium. Ook de Kunstroute Haagse Beemden doet onze tuin jaarlijks aan.

Voor kinderen zijn er allerlei praktische activiteiten, zoals het poten van aardappels en later het rooien. Op verzoek geef ik kleine groepen kinderen tekst en uitleg over de tuin in relatie tot de natuur. Dat vind ik wel het leukste van mijn werk. Dus ja, inhoudelijk is dit vrijwilligerswerk voor mij wezenlijk anders dan toen ik er als professional hovenier mee bezig was.               

Heb jij nog een tip?
Bijna dagelijks komen er mensen in de tuin die er rust zoeken, om raad verlegen zitten of hun verhaal kwijt moeten. Dat is gezellig, maar dat vraagt ook het nodige van mij als gastheer. Hoewel, ik heb het er graag voor over. Voor de wijkbewoners heb ik de tip om onze tuin eens te komen bezoeken, het is echt de moeite waard. Je vindt er rust, en als je wilt steek je er ook nog wat van op.’

In de rubriek Held van de Maand zetten we mensen in de schijnwerpers
die zich langdurig onbetaald hebben ingezet.

De ‘Held van de Maand’ vind je ook op BredaVandaag.nl
en in de huis-aan-huiskrant van BredaVandaag.

Lees het artikel over Freek in de digitale krant op BredaVandaag.nl

Shirin Ali, vrijwilligster bij de voedselbank

Na een lange weg komt Shirin als vrijwilligster terecht bij de Voedselbank. Drie dagen per week is ze daar verantwoordelijk voor de afdeling groente en fruit. Dat was enkele jaren geleden onvoorstelbaar: Shirin kookte niet zelf en van groente en fruit wist ze weinig af. Hoe anders is dat nu!

Wie: Shirin Ali (45), getrouwd, drie zonen (10, 11, 14)
Vrijwilligerswerk: Verantwoordelijk voor de groente en fruit bij de voedselbank Breda
Sinds: 2017
Uren per week: 24

Wat houdt je vrijwilligerswerk precies in?

‘Ik zorg er met een team vrijwilligers voor dat alle groente en fruit bij binnenkomst wordt gecontroleerd, gesorteerd en geteld. Daarna slaan we het op, binnen of buiten de koeling, en maken we er pakketten van voor de mensen die naar de voedselbank komen. Het werk is ook behoorlijk fysiek, we sjouwen en tillen hier heel wat af met zware kratten. We zetten bij de voedselbank echt in op goed en gezond eten. Juist voor de deelnemers aan de voedselbank is groente en fruit heel belangrijk, want het is gezond, maar tegelijk ook duur.
Het uitdelen aan de deelnemers, zo noemen we onze klanten, doe ik zelf. Omdat ik verschillende talen spreek, treed ik hier ook zo nu en dan op als tolk.

Hoe ben je erin gerold?

Mijn man kwam 23 jaar gelden als politieke vluchteling naar Nederland. We waren net getrouwd en we misten elkaar verschrikkelijk. Het leven is niet altijd eerlijk. In december 2004 kon ik naar hem toekomen, via Jordanië. Ik heb geluk gehad dat ik bij de Nederlandse ambassade in Amman snel werd geholpen. De reis heb ik zelf betaald. Op Schiphol wachtte hij op mij met een hele grote bos bloemen. Hij was na de jaren dat we elkaar niet hadden gezien alleen maar leuker geworden.
Het was natuurlijk goed om bij mijn man te zijn, maar het was moeilijk om alles, echt alles, achter te laten. Je begint hier met niets. Ik kom uit een groot gezin en vond het heel zwaar om hier bijna helemaal alleen te zijn. Daarbij komt dat ik mijn verhaal niet gemakkelijk met anderen kan delen. Inmiddels zie ik Nederland als mijn tweede vaderland, een mooi land, en de meeste mensen zijn aardig.

Mijn man werkt hier fulltime. In Irak heb ik altijd gestudeerd en gewerkt. Met mijn universitaire studie chemie kon ik in Nederland niet aan de slag. Het taalniveau dat nodig is voor een eventuele vervolgstudie hier is voor mij niet bereikbaar, ondanks de taallessen die ik daarvoor heb gevolgd. Dat is jammer, maar het is niet anders. Ik vond het belangrijk om naast de opvoeding van onze drie zoons en het huishouden een zinvolle invulling van mijn tijd te hebben. En als je alleen thuis zit gaat je Nederlandse taalniveau ook maar achteruit. En, niet in de laatste plaats, Nederand is heel goed voor ons  geweest. En daar wil ik graag iets voor terugdoen.
Daarom ben ik op internet op zoek gegaan naar vrijwilligerswerk dat een beetje in de buurt van ons huis en de school van de kinderen was. Zo kwam ik de voedselbank tegen, waar ik na een gesprek direct aan de slag kon.

Welke eigenschappen heb je ervoor nodig?

Voor het werk dat ik nu doe heb je kennis van groente en fruit nodig. Bij aankomst in Nederland wist ik niets van koken; toen ik studeerde en werkte in Irak had ik daar nooit tijd voor en deed mijn moeder dat. In Nederland heb ik dat mezelf geleerd, via televisie en internet. Zo heb ik ook de verschillende producten leren kennen. Inmiddels weet ik er aardig wat van. En nu ben ik verantwoordelijk voor alle groente en fruit bij de voedselbank.

Als er hier iemand groente komt halen die hij of zij niet kent geef ik er een recept bij dat ik heb gemaakt. De keer daarna vertellen ze dan vaak dat ze het lekker vonden.

Verder moet je het natuurlijk ook leuk vinden om dit werk te doen en interesse in mensen hebben. Ik probeer bijvoorbeeld rekening te houden met de gezinssamenstelling en achtergrond van de deelnemers bij het samenstellen van de pakketten.

Wat kost het je?

Het kost me niets. Er is hier buiten mijn gezin geen familie waar ik naartoe kan of hoef, en als ik vakantiedagen wil, dan kan dat ook gewoon. Ik heb er hart voor en zet me niet anders in dan wanneer het betaald werk zou zijn.

Wat brengt het je?

Door mijn werk hier heb ik veel contact met mensen en dat heb ik ook nodig. Verder heb ik de taal beter leren spreken.

Ik vind het fijn om mensen te kunnen helpen en dat kan hier. Het raakt me erg als iemand zich schaamt om bij de voedselbank te moeten aankloppen. Als ik zo iemand zie huilen, moet ik ook huilen.

Soms treed ik op als tolk; ik vind het vreselijk om een slechte boodschap te helpen overbrengen. Bijvoorbeeld als iemand geen recht meer heeft op voedselbankhulp. Dat vind ik verschrikkelijk, ook al begrijp ik de regels. Gelukkig help ik ook wel eens bij goed nieuws: als iemand te laat is en eigenlijk niet meer naar binnen mag en ik mag zeggen dat het toch mag. Dat vind ik leuk.
Als ik me ergens aan verbind, ga ik er ook echt met heel mijn hart voor. Dat geldt niet alleen voor mijn werk, maar bijvoorbeeld ook voor de opvoeding van de kinderen. Ik werk hier hard, en gelukkig is er flexibiliteit. Als ik bijvoorbeeld onverwacht naar de school van mijn kinderen moet dan kan dat. Natuurlijk kan dat in theorie ook bij een betaalde baan. Maar ik ken mezelf goed genoeg om te weten dat ik daar dan geen gebruik van zou maken.

Ik vind het heel belangrijk dat onze zoons hun kansen hier benutten en allemaal en goede opleiding volgen. Als ik vandaag klaar ben bij de voedselbank, doe ik nog de krantenwijk van een van mijn zoons. Die heeft tentamens en moet zijn tijd daarvoor gebruiken.

Welke boodschap of adviezen heb je voor anderen?

Verspil je tijd niet, doe iets voor een ander. Waar dan ook. Zo heb ik dat ook van mijn ouders en vanuit mijn geloof geleerd. En wees gelukkig met wat je hebt, wees niet ongelukkig om wat je niet hebt.’

De voedselbank geeft in Breda iedere week 570 gezinnen, met in totaal 1600 mensen, te eten. Op drie plekken in Breda verwerken en distribueren daarvoor ongeveer honderd vrijwilligers een miljoen kilo aan eten per jaar. Tijdens de coronacrisis is het aantal deelnemers met zo’n zeven procent gegroeid. Door investeren in goede relaties met winkels en bedrijven kan de voedselbank de toegenomen vraag aan.

Transgenders Eva en Emma redden mensenlevens door luisteren en advies

Het echtpaar Eva en Emma Laurijssens van Engelenhoven hebben een forum voor transgenders opgericht en organiseren het transgendercafé in SAMSAM. Eva is ook Coördinator Suïcidepreventie bij het COC Tilburg Breda. Hun eigen coming out speelt daarbij een grote rol.

Wie: Eva (74) en Emma Laurijssens (50) van Engelenhoven
Beroep: beide in IT-sector; Eva is met pensioen
Vrijwilligerswerk: forum T-Nederland, besloten en openbaar transgendercafé (in SAMSAM te Breda); Coördinator Suïcidepreventie COC Breda Tilburg
Sinds: ongeveer 2012
Uren per week: ongeveer 15 uur

Wat houdt je vrijwilligersbaan precies in?
Emma: ‘Dagelijks lezen we alle vragen die op ons forum worden gesteld, een of twee dozijn. Onze ervaringenzijn handig bij het beantwoorden van vragen. Zoeken leden informatie, dan weten we dat vaak omdat we dit al zo lang doen.’
Eva: ‘We kwamen als bezoekers in een COC-transgendercafé in het oosten van het land. Liesbeth, mijn eerste vrouw, was biseksueel en was erg betrokken bij mijn zoektocht. Ze vond dat we zo’n bijeenkomst zelf konden organiseren, maar dan zónder de inmenging van andere belangengroepen. Dus hielden we eerst T-Amersfoort en na onze verhuizing naar Etten Leur T- Breda in een gewoon café. Dagelijkse gasten zijn daar gewoon welkom. Het coördinatorschap van suïcidepreventie sloot perfect aan op alle vragen en de bijeenkomsten.’

Hoe ben je erin gerold?
Emma: ‘Van jongs af aan voelde ik me anders. Maar ik had geen broertjes en geen neefjes. Dus ik had geen vergelijking en ik werd sowieso anders behandeld als oudste en enige jongen. Je loopt met een gevoel van ‘het past niet’ maar je weet niet waarom. Er was nog geen internet, er waren geen tv-programma’s over transgenders en boeken waren er nauwelijks. Toch had ik wel ideeën over wat er aan de hand was. Toen ik de moed had dat tegen mezelf te zeggen, was ik 26. Dat deelde ik in een kleine groep. Met iemand uit die groep ben ik twee jaar later getrouwd. Zij wilde er niet aan dat ik er iets mee deed, dus stopte ik dat weg.

Beiden hadden we behoefte aan een gezin. Omdat dat niet lukte, werd de seks een verplichting. Ik vond seks niet leuk, maar dat was logisch als er zoveel druk op ligt. In 2005 kregen we een tweeling, Charlotte en Benjamin. Het was opnieuw een stressvolle periode. Het was gemakkelijk om verdere gedachten over mezelf weg te stoppen. Uiteindelijk ging het tussen ons niet meer; in 2012 gingen we uit elkaar.’

Eva: ‘Ik ontmoette een vriendin die van zichzelf dacht dat ze eerder lesbisch was dan heteroseksueel. Maar mij wilde ze wel. Ook wij wilden kinderen, maar het lukte ons niet. De dokter schreef haar DES voor. Misschien wel daardoor heeft ze in 2002 baarmoederhalskanker gekregen. Het duurde gelukkig tot 2014 voor ze stierf. Wij waren bijna 45 jaar getrouwd.
Kort na ons trouwen stonden we een keer voor haar kledingkast. Ze gaf me wat van haar kleding. Ik trok dat in een opwelling aan. Het gaf me zó’n raar gevoel! Ik schrok er enorm van, en heb dat vervolgens jarenlang weggestopt.

Misschien wel dertig jaar later vertelde ik haar op een dag dat ik heel raar had gedroomd: ik kocht pumps voor mezelf. Dat hebben we daarna gedaan; zij rekende ze af. Ze vond het leuk staan als ik in huis, gewoon onder mijn broek, op die pumps liep. Liesbeth aanvaardde me zoals ik ben en stiekem was ze er trots op dat ze was getrouwd met een vrouw.
Samen bezochten we bijeenkomsten van het COC, waar ze ook voor transgenders een avond hadden. Dat associeerden veel mensen toch met gay. “Waarom zetten we zelf niets op”, vroeg Liesbeth mij in 2012. Dat gedaan in Amersfoort, waar we destijds woonden. Toen ik later naar Breda verhuisde, deed ik hier hetzelfde. Inmiddels had ik Emma ontmoet op het forum, dat ik ondertussen ook had opgericht.

Emma is op het forum T-Nederland terecht gekomen met vragen. Hoewel het platform geen datingsite is, kregen wij toch een relatie. We hebben beiden een geslachtaanpassende operatie gedaan, ik in Nederland, Emma in Thailand. Na die operatie heb ik twee dagen continu met een big smile in bed gelegen. Het was wel een van de hoogtepunten.’

Emma: ‘De meeste impact heeft het op je sociale leven. Zelf heb ik dat heel geleidelijk gedaan, dat hoort misschien wel bij die zoektocht. Ik experimenteerde met make up, droeg blanco nagellak. Tijdens een bedrijfsuitje waren we een heel weekend weg. “Waarom draag jij eigenlijk geen gekleurde nagellak?” vroeg een collega me. De volgende dag droeg ik bijpassende nagellak bij mijn blauwe polo. Op die manier wende mijn omgeving eraan.

Charlotte en Benjamin, mijn kinderen, kregen ook van alles mee. Ik vertelde hen dat ik een verwijzing had voor het ziekenhuis. Charlotte reageerde heel laconiek: “Mag ik even je Ipad?” Daar zocht ze op YouTube een filmpje op: van een jongen naar een meisje. “Zo, nu weet ik wat dat is.” 

Benjamin woont inmiddels bij ons. Hij vindt het de gewoonste zaak van de wereld. Sterker nog, hij accepteert veel meer dan zijn leeftijdgenoten, weet ook meer. Bij de moeilijke telefoongesprekken die we voeren, zit hij er soms gewoon bij.

Voor ons beiden zijn al onze ervaringen en de informatie dingen waarmee we anderen kunnen ondersteunen en adviseren. Dat drijft ons wel om door te gaan met dit vrijwilligerswerk. Al is het vrijwillig, het is niet vrijblijvend. We zeggen wel eens dat er ook een café is als wij er niet zijn. Maar in de praktijk werkt het niet zo. Als ze ons niet zien, gaan mensen gewoon weer weg.

Waarin verschilt dit van je ‘gewone’ werk?
Emma: ‘Het scheelt veel minder dan dat je zou denken. In de IT, waar ik werk, lijkt het te gaan om iets technisch. Maar ik ben generalist. Ik knoop specialisten aan de vraag die er ligt. Het komt erop neer dat ik goed moet luisteren en naar het juiste antwoord moet zoeken.”

Eva: ‘Ik bezocht vroeger klanten in de IT. Ook daar had ik heel veel gesprekken. Dat kon ook over bijvoorbeeld rouw gaan. Maar als transgender ben je ook veel bezig met rouw en afscheid nemen. Ik ben zelf altijd een prater geweest. Dus ook bij mij is er niet zoveel verschil en gebruik ik de karaktereigenschappen die ik toch al had.’

Wat kost het je?
Eva: ‘Het kost niet alleen tijd. Voor het deel van suïcidepreventie heb je ook opleidingen nodig. Een deel daarvan vergoedt het COC. Maar als ik naar een duur congres ga, betaalt Emma de vierhonderd euro die dat kost. Zij is degene van ons twee die nu nog geld verdient’, lacht Eva.
Emma: ‘Het kost natuurlijk ook tijd. We lezen iedere dag de vragen op het forum door en geven antwoord. Daarnaast zijn we drie van de vier vrijdagen van vijf uur ’s middags tot een uur ’s nachts aanwezig in een transgendercafé. Dat kost soms eens energie. Enige nazorg is ook wel eens nodig, maar we moeten ervoor waken dat we ze intensief begeleiden – we hebben nog een eigen leven!’

Wat brengt het je?
Eva: ‘Ik heb periodes dat ik redelijk depri ben. Praat ik dan met iemand die suïcidaal is, dan lucht mij dat ook op. Ik relativeer ook meer. En het is wel heel mooi dat het door het forum en zo mogelijk is anderen te helpen.’
‘Het mooiste is dat dit ons bij elkaar heeft gebracht’, zegt Emma met een grote lach op haar gezicht.

Welke tips heb je voor anderen?
Emma gaat door: ‘Wees niet bang om jezelf te zijn. Eerlijk zijn is niet alleen goed voor jezelf, maar ook, voor de mensen om je heen.’
‘Misschien raak je mensen kwijt’, voegt Eva toe, ‘maar als je niet jezelf kunt zijn, wegen zij daar dan tegen op?’

Voor meer info zie www.t-nederland.nl  

Rinus Thijs zet door voor veilige buurt

Rinus Thijs (77) woont al 45 jaar in De Wisselaar, een Bredase wijk die hem nauw aan het hart ligt. In de loop van de tijd zag hij hoe de cohesie van de buurt langzaam maar zeker afkalfde. De snel veranderende populatie van een monoculturele naar een multiculturele buurt is daar volgens hem medeschuldig aan.

Los zand
‘De buurt hangt als los zand aan elkaar’, laat Rinus stellig weten. ‘Voor de mensen die zijn vertrokken kwamen gezinnen uit verschillende culturen terug. Ze spreken hun eigen voertaal en amper Nederlands. Daarom wordt er nauwelijks of niet met elkaar gepraat. Het letten op elkaars spulletjes en lief en leed delen is er bijvoorbeeld niet meer bij. Iedereen volgt zijn eigen pad, er is eigenlijk geen interesse voor elkaar. Dat vind ik erg’, zegt Rinus die er buurtpreventievrijwilliger is.

Overgehaald
Mijn achterbuurman hoefde niet veel te doen om mij over te halen om ook vrijwilliger te worden bij buurtpreventie. Dat is bijna vijf jaar geleden. Mijn laatste vrijwilligerswerk was in de tijd dat mijn kinderen opgroeiden. Twee zoontjes voetbalden toen bij voetbalvereniging B.S.V. Boeimeer. Als vanzelf nam ik daar ook het vrijwilligerswerk op mij en was er onder andere jeugdtrainer. In die tijd heb ik Jean-Paul van Gastel, ex-profvoetballer bij NAC en Feyenoord, nog als pupil onder mijn hoede gehad. Nu ben ik opnieuw vrijwilliger, maar dan eentje van een orde die stukken minder gewaardeerd wordt.

Afgehaakt
Eerst liepen we met z’n tweeën onze preventierondjes door de wijk. Maar al gauw haakte mijn achterbuurman af. Ik sta er nu al meer dan drie jaar alleen voor. Mijn taak is een actieve bijdrage leveren aan het bevorderen van de veiligheid en leefbaarheid van de buurt. Dat wil zeggen: ik moet mijn buurtgenoten zover krijgen, dat zij zich medeverantwoordelijk gaan voelen voor het algemeen welzijn van de buurt. Dat doe ik gelukkig niet alleen, maar samen met de wijkagent, buren, woningbouwcorporatie en de gemeentelijke handhavers. Met z’n allen zetten wij ons in voor een buurt waar het goed leven, wonen en werken is.

Melding doen
Als dat nodig is vraag ik buurtbewoners om alert te zijn op verdachte situaties. Bijvoorbeeld een kliko die niet op z’n plek staat en juist daarom kan worden gebruikt voor inklimming. Verder let ik ook op overlast, zwerfvuil, verkeersgevaarlijke situaties, kapotte straatverlichting en andere gebreken in de openbare ruimte. Klopt er iets niet, dan maak ik daarvan melding bij de gemeente.

Huis- en zwerfvuil
Elke dag loop ik een uurtje of twee mijn preventieronde en bezoek daarbij regelmatig de speeltuin die nog schoon en veilig voor gebruik moet zijn. Zwerfvuil vind ik erg, erger is nog het huisvuil dat naast de ondergrondse vuilcontainers wordt gezet. Het kan natuurlijk wel eens voorkomen dat de vuilcontainer vol is, maar dan geeft het nog geen pas om het huisvuil daar achter te laten. De bewoners rondom deze vuilcontainers klagen daar terecht over. Het schept niet alleen een verpauperend indruk, het brengt ook nog eens ratten, muizen en stankoverlast met zich mee, vooral in de zomermaanden. Meldingen die ik daarover doe worden vaak opgevolgd door handhavers. Soms weten zij de herkomst van het vuil weten te traceren en volgt er een boete.

Bedreigd en gepest
Fysiek kan ik het allemaal wel aan, maar het kost mij eerlijk gezegd mentaal meer inspanning dan al het vrijwilligerswerk dat ik eerder heb gedaan. Ik ben nogal eens bedreigd en ik word af en toe ook weleens gepest. Een paar keer zijn er al eens appels tegen de voorgevel van mijn huis gegooid, kapot gegooid. Ik hoor en zie veel wat er zich zoal in de buurt afspeelt. Dat wordt door sommige buurtbewoners niet erg gewaardeerd, zeker niet als ik hen erop aanspreek. Eind vorig jaar overkwam mij dat nog met een man die huisvuil bij de grondcontainer wegzette. Dat beviel meneer niet en hij nam mij daarom plotsklaps is een wurggreep en werkte mij vervolgens tegen de grond. Gelukkig namen wat jeugdigen het voor mij op, anders was het vermoedelijk heel anders afgelopen.

Trots
Nu bleef het gelukkig bij wat schrammen en kneuzingen, maar ik ben wel erg geschrokken. Eigenlijk wilde ik ermee stoppen. De vele steunbetuigingen die ik na dat voorval kreeg, brachten mij ertoe om tegen de zin van mijn vrouw en kinderen in, toch door te gaan. Daarbij is het ook zo dat de wijk veel voor mij betekent en ben ik er stiekem best trots op dat ik er woon. Het was vooral het bezoek van wethouder Greetje Bos dat mij er mentaal weer bovenop heeft geholpen. Eind december grepen buurtgenoten mijn gouden bruiloft aan om ook hun waardering voor mij uit te spreken.

Waardering
Marianne en ik kregen bonbons, bloemen, een fruitmand en een lieve brief met de tekst: “We kennen jullie in de buurt als trouwe buren, die goed letten op onze veiligheid en veel doen voor een schone en leefbare buurt.” Een echte opsteker. Dat zijn zo van die complimentjes waarop ik lang kan teren. Of ik een held ben weet ik niet, ik blijf gewoon de buurt trouw want die is voor ons allemaal. Dus: join me.’

Echtpaar Touw helpt Indiase kinderen

De helden van januari zijn Jeanne Oomen (65) en Ruud Touw (67). Deze kinderfysiotherapeuten werken drie weken per jaar in een centrum in Karnataka (India), waar ze ook lokale begeleiders trainen. Ruud is daarnaast actief bij Achilles als trainer voor de Racerunners

Wat houdt jullie vrijwilligerswerk precies in?

‘Door armoede en beperkte medische voorzieningen zijn er in India veel meer kinderen met ernstige motorische beperkingen dan hier,’ legt Ruud uit. ‘Kinderfysiotherapie vind je daar nauwelijks, of is voor veel mensen te duur.
Wij werken in een eenvoudig therapiecentrum in een arme streek, in de deelstaat Karnataka in Zuid-India. Daar wordt aan kinderen met verstandelijke en/of motorische beperkingen opvang en onderwijs geboden. Het centrum staat onder de hoede van de Norbertijner orde, die zorgt voor een gedegen structuur.’

Jeanne: ‘We zijn bij ons eerste bezoek begonnen met het stellen van diagnoses, want die waren er niet. Ruud onderzocht de hele dag kinderen en ik schreef zijn bevindingen op in een dossier. Dat waren lange dagen! Na die diagnose stelden we de ontwikkelingsmogelijkheden per kind vast en gaven bij sommigen aan hoe complicaties konden worden voorkomen. Daarmee konden ze ter plaatse aan de slag. De Indiase begeleiders zijn niet specifiek opgeleid en we gaven ze samen basale handvatten voor behandeling. Ruud en ik vullen elkaar ook op vaktechnisch gebied goed aan.

De jaren daarna

Hoewel we tussendoor wel incidenteel contact hadden, was het erg spannend wat we de tweede keer zouden aantreffen. Dat was voor ons allebei een geweldig mooie verrassing; de eenvoudige behandelplannen waren echt opgepakt en het ging met veel kinderen een stuk beter. Om die positieve ontwikkeling te borgen gingen we daarna per kind in op de vragen die de begeleiders waren tegengekomen. Het was mooi om te zien hoe gemotiveerd en serieus zij hun taak namen.
De derde keer dat we er waren hebben we gefocust op het opzetten en bijhouden van dossiers. Verder leerden we het personeel om testen uit te voeren om het motorische vaardigheidsniveau van de kinderen vast te stellen en dat goed te registreren. Na afloop gaven we ze een welverdiend diploma, iets waar ze terecht heel trots op waren.’

Ruud: ’De directeur van het Indiase centrum kwam op bezoek in Nederland en wilde graag ook onze fysiovoorzieningen zien. Ik had hem bij Revant, waar ik toen werkte, natuurlijk onze geweldige hulpmiddelen kunnen laten zien. Maar omdat je daar in India niet zoveel mee opschiet koos ik voor een bezoek aan een zorgboerderij. Daar zijn mensen met beperkingen actief op allerlei gebied, zoals groenvoorziening, eten bereiden en allerlei huishoudelijk werk. De pictogrammen (tekeningen voor eenvoudige handelingen) die hij daar zag, worden nu ook in India gebruikt.

Hoe ben je erin gerold?

Ruud: ’Kees en Hennie de Wit waren al langer actief in Zuid-India met hun stichting Care Karnataka. Ze zorgden er onder andere voor dat er nu een echt schoolgebouw staat. Kees was geïnteresseerd in fysiomaterialen, en hij kwam langs om hulpmiddelen te zien die ze ter plaatse konden maken. Jeanne en ik waren eerder al eens zes weken in Nepal geweest, om daar ook als kinderfysiotherapeut te werken. Kees was enthousiast en vroeg of we ook niet eens meekonden naar India. Dat leek niet zo goed uit te komen omdat we net dat jaar naar Ethiopië zouden gaan om daar les te geven op ons vakgebied. Maar we besloten vervolgens om toch ook naar India te gaan. En toen is het gaan lopen.’

Waarin verschilt het van je gewone werk?

‘Als kinderfysiotherapeut doen we in India eigenlijk hetzelfde werk als we in Nederland deden, maar met veel minder middelen en medische expertise in de omgeving’, legt Jeanne uit. Ruud: ‘Je moet daar echt op zoek naar mogelijkheden. Je ziet een kind dat al heel lang alleen op een cementen vloertje ligt en dat wil je natuurlijk tenminste een zittend bestaan geven. Je maakt dan werktekeningen en bouwt iets met wat daar beschikbaar is. Zo’n kind komt dan terecht in een goed gesteunde zittende houding, waardoor z’n leven echt verandert en het onderwijs kan volgen.’

Jeanne: ’Natuurlijk is het voor dit werk nodig dat je flexibel bent en een beetje creatief. Liefst ook avontuurlijk ingesteld. Maar de belangrijkste basis is voor ons altijd deskundigheid, evenals respect voor de lokale bevolking.’

Wat kost het je?

‘Toen we allebei nog werkten’ gaat Jeanne door, ‘namen we onze vrije dagen op om naar India te gaan en waren we natuurlijk ook bezig met de voorbereiding. De kosten voor de vliegtickets en het verblijf daar betalen we zelf.

Als je, zoals wij, zelf veel kansen hebt gekregen om je talent te ontwikkelen mag je ook wel iets terugdoen. Niet alleen hier, maar ook verder weg. En het is een mooie voortzetting van onze actieve loopbaan.’

Wat is je leukste ervaring?

Ruud: ‘Een van de mooiste dingen die ik daar meemaakte gebeurde toen we een jongen met ernstige beperkingen op de stenen vloer zagen liggen. Ik heb toen een grote kookschaal die daar lag omgedraaid en die jongen geholpen om daar met stokken op te slaan. Hij fleurde helemaal op en het klonk echt mooi. Uiteindelijk is het met hem goed gekomen en is hij met wat aanpassingen zelfs naar school gegaan.’

Jeanne: ‘Ik vond het erg mooi dat we er met een sta-plank voor konden zorgen dat kinderen die nog nooit hadden gestaan, dat zo wel konden. Met echt simpele hulpmiddelen veranderde hun wereld.’

Welke tips heb je voor anderen?

‘Je moet niet huiverig zijn om je deskundigheid in ontwikkelingslanden in te zetten’, zegt Ruud. ‘Het is echt een enorme verrijking. Je leert meer kijken naar mogelijkheden dan beperkingen.’ Jeanne: ‘Als je elkaar vanuit respect benadert kun je samen echt ver komen.’

Verder is Ruud iedere week ook een paar uur actief als trainer bij Achilles voor de racerunners, fietsen zonder trappers voor kinderen en volwassenen met motorische beperkingen. Iemand die binnenskamers maar een paar passen kan lopen kan met dit hulpmiddel ‘rennend’ grote afstanden leren afleggen. Zo wordt de wereld opeens een heel stuk groter.

Lous Geelkerken al 65 jaar vrijwilligster

Held van December Lous is niet alleen heilsoldaat van het Leger des Heils, maar ze is ook op vele andere plekken vrijwiligster. En dat al meer dan 65 jaar!

‘Ik ben geboren in Amsterdam en ik ben de oudste van zes kinderen. Omdat mijn ouders allebei geen sterke gezondheid hadden was ik al snel degene die op de andere kinderen lette en voor ze zorgde. Ik nam ze mee naar de speeltuin en verzon allerlei spelletjes. Daar deden ook andere kinderen aan mee. Zo rolde ik vanzelf in het vrijwilligerswerk.
Toen ik elf, twaalf jaar was, werd ik gevraagd om in de speeltuin in Amsterdam-Zuid te helpen. Ik genoot er van, was dol op kinderen en besloot dan ook kleuterjuf te worden. Tijdens de zomervakanties organiseerde ik de vakantieschool in Amsterdam, voor kinderen uit de volkswijken, en later de zomerkampen. Een geweldige tijd!

In ons gezin was geloof heel belangrijk. Wij waren lid van de Remonstrantse kerk. Maar zo rond mijn twintigste vond ik daar niet meer wat ik zocht. Een vriendin met wie ik in een koor zong vroeg of ik mee wilde naar de Middernachtzending van Majoor Bosshardt. Dat deed ik; ik vond het geweldig. De majoor liep voorop, samen met een accordeonist, en wij liepen er in optocht achteraan en zongen liederen.
Na een aantal weken vroeg mijn vriendin: “Waarom kom jij niet bij het Leger, je vindt dit toch mooi? Waar wacht je op?” Een nog belangrijker vraag was: “Hoe kan je nee zeggen tegen God en geen ja?”
Die vraag zette me echt aan het denken, ik wilde vooral weten waarom ik “ja” zou zeggen. Ik vond de Remonstrantse kerk vrij elitair, ik groeide bevoorrecht op. Maar met de majoor kwam ik op de Wallen, in de volksbuurten, dat  trok mij aan, daar kon ik echt iets betekenen. Ik werd ook leidster bij de kabouters en de padvinders van het Leger des Heils. Met de majoor ging ik op huisbezoeken, we verkochten de Strijdkreet en ik zag hoe zij echt met iedereen kon praten en naar iedereen luisterde. Dat wilde ik ook. Dit inspireerde me ook om maatschappelijk werk te gaan studeren. Na een paar jaar meelopen met de majoor werd ik in 1964 officieel Heilsoldaat.

Gaandeweg ging een deel van ons gezin mee naar het Leger en werd het hele gezin, op mijn vader en een broer na, ook heilsoldaat. Na het overlijden van mijn vader verhuisde mijn moeder en de rest van het gezin naar het oosten van het land, ik volgde hen. In Hoogeveen ben ik de koffiebar begonnen vanuit het Leger en gaf ik les aan corpscadetten ter voorbereiding op het heilsoldaatschap. Ik deed maatschappelijk werk en dat hield niet op na werktijd; ik probeerde voor iedereen die problemen had klaar te staan.

Het waren tropenjaren. Toen ik voelde dat het teveel werd voor me, besloot ik even wat rust te nemen en werd ik hoofd op een kinderdagverblijf, bij de kleuters. Ik voelde gewoon dat ik er anders aan onderdoor zou gaan. Maar na dat jaar trok het maatschappelijk werk me toch weer. Na wat omzwervingen in het oosten van het land ben ik uiteindelijk in Breda terechtgekomen, als maatschappelijk werker in het revalidatiecentrum. Natuurlijk was ik ook hier actief voor het Leger, vooral bij het Open Huis. Maar ook in de verschillende buurten waar ik heb gewoond deed ik van alles. Ik maakte bijvoorbeeld kerststukjes met de buurtkinderen en bakte oliebollen voor 70-plussers. Het Open Huis is erg belangrijk voor me geweest, ik heb nog altijd contacten met medevrijwilligers en bezoekers uit die tijd en ik ben er ook nog niet zo lang weg. Ik knutselde daar met moeders en kinderen, gaf leiding aan de jeugdafdeling en deed ook nog steeds openluchtwerk. Veel mensen kennen daar het Leger des Heils van, omdat we rond Kerst met onze geldpotten op drukke plaatsen stonden. Dit jaar kan dat helaas niet.

Na achttien jaar werd mijn functie bij het revalidatiecentrum wegbezuinigd en kwam ik opnieuw voor de kleuterklas, dit keer bij de Vrije School. Ik heb daar weer met heel veel plezier gewerkt en had het erg druk met al het vrijwilligerswerk daarnaast. Na mijn pensioen heb ik me gemeld als vrijwilliger bij StiB bij de palliatieve zorg en bij de stichting Mentorschap. Daar begeleidde ik mensen die dementerend zijn, ik was  contactpersoon tussen hen en de zorg, ik heb denk ik zes personen langdurig begeleid. Ik zette me ook in voor het Alzheimercafé, waar we een van de eerste telefooncirkels hebben georganiseerd. Omdat ik een nachtmens ben, vond ik het niet erg als ik ’s nachts werd gebeld! Maar gaandeweg ging er steeds meer via de computer, er kwamen steeds minder bellers en uiteindelijk is de telefooncirkel Breda opgeheven en ben ik overgestapt naar het landelijke netwerk. Ik heb nog wel computercursussen gedaan, maar het digitale contact past niet bij me en dus ben ik daarmee gestopt.

Mijn hele leven heeft in het teken gestaan van het Leger des Heils. Ik heb nooit de behoefte gehad om mensen te bekeren, maar wilde hen wel laten zien wat het voor je kan betekenen als je God naast je hebt in je leven. Ik had nooit de behoefte om te trouwen en zelf kinderen krijgen wilde ik niet. Ik heb altijd gezegd: ik heb er al genoeg!
Ik ben altijd met kinderen bezig geweest, moest van jongs af aan veel zorgen en was blij dat ik ze weer terug aan hun ouders kon geven! De Koninklijke Onderscheiding die ik een aantal jaren geleden kreeg, vond ik een blijk van waardering voor mijn inzet voor anderen. Maar het vrijwilligerswerk heeft ook heel veel voor mij betekend, zeker ook in de moeilijke tijden van mijn leven, want die waren er natuurlijk. Hoe ellendig ik me ook voelde, ik wist dat er mensen waren die op mij rekenden. Ik ging er naartoe en kwam opgeknapt terug. Het geeft zoveel voldoening om iets voor een ander te doen. En ook al heb ik een groot deel van mijn leven alleen gewoond, eenzaam ben ik nooit geweest, want ik heb altijd God naast me gevoeld.’

Ad den Boer, coördinator Thuisadministratie, in de spotlights

Deze maand is Ad, vrijwilliger bij Humanitas, gekozen als Held van de Maand. Zelf ziet hij de deelnemers als Helden.

‘Ik wil meteen heel duidelijk gezegd hebben dat ik mezelf helemaal niet als held zie. De mensen die in administratieve en financiële problemen zijn geraakt en de moed hebben om dat te erkennen en hulp te vragen, dat zijn voor mij de (stille) helden. Daar is zoveel moed voor nodig! Ik vind dat heel dapper. Ieder mens wil in principe goed voor zichzelf en zijn naasten zorgen, als dat om wat voor reden dan ook niet meer lukt is het echt niet makkelijk om dat toe te geven, geldproblemen zijn nog steeds een taboe in onze samenleving.

In het dorp waar ik opgroeide, was mijn vader ambtenaar. Binnen dat dorp was altijd heel duidelijk wie het goed had en wie niet. De gemeenschapszin was er groot. Mijn vader was een voorbeeld voor me, hij was actief als stille kracht, zorgde dat de kruisvereniging in het dorp kwam en een bibliotheek, was actief bij sportverenigingen en in de kerk. Mensen leefden niet zo anoniem als nu en hielpen elkaar waar ze konden. Dat is voor mij wel een bepalend gevoel in mijn leven, dat je elkaar moet helpen.

Ik studeerde in de jaren ’60, de tijd van medezeggenschap. Maar ik voelde me ook verantwoordelijk, ik was me er van bewust dat de samenleving meebetaalde aan mijn studie. Ik heb altijd als zelfstandig organisatie-adviseur gewerkt, met ondernemingsraden als doelgroep. Ook begeleidde ik fusies en reorganisaties.

Toen ik met pensioen ging zocht ik zinvol vrijwilligerswerk en ik kwam terecht bij de Taalmaatjes van bij Humanitas. Humanitas gaat uit van gelijkwaardigheid, dat vind ik heel belangrijk. Daar hoorde ik dat er plannen waren om een afdeling Thuisadministratie op te zetten. Dat was echt iets voor mij.  In 2015 zijn we gewoon begonnen.
Het coördineren daarvan vond ik echt een leuke klus. Inmiddels zijn we met twee coördinatoren en een goed team van vrijwilligers. Op jaarbasis helpen we zo’n zestig mensen – de een heeft langer begeleiding nodig dan de ander. Mensen komen bij ons terecht vanuit maatschappelijke organisaties of gewoon via mond-op-mond reclame.

Als coördinator doe ik de intakegesprekken met de deelnemers. Standaardvraag daarbij is: over wat voor soort vrijwilliger zou u boos worden? Want wat mensen echt willen, weten ze vaak niet maar wat ze niet willen, is heel duidelijk.
Tijdens dat gesprek krijg ik een goed beeld van welke vrijwilliger bij iemand past. Naast het koppelen van deelnemers en vrijwilligers geef je als coördinator ondersteuning aan de vrijwilligers, en regel je de praktische kanten zoals bijeenkomsten, locaties en scholing. Als je als vrijwilliger bij ons start krijg je eerst een onlinetraining. Daarna volgen persoonlijke trainingen.

Ieder mens maakt periodes mee in het leven waarbij er zoveel gebeurt dat je het overzicht wat kwijtraakt. Ziekte, spanningen op het werk, problemen met de kinderen, zorg voor ouders, noem het maar op. Ik denk dat we dit allemaal herkennen. Als zo’n periode van grote stress wat langer duurt raak je het vermogen om je te concentreren kwijt. Dan vergeet je bijvoorbeeld die bon voor te hard rijden te betalen en komt er een aanmaning, die je vervolgens ook weer weg legt. Of de rekeningen die per mail binnen komen zie je over het hoofd.
Zo kan het best snel uit de hand lopen. Het zit in de mens om kansen hoger in te schatten dan risico’s, kijk maar naar de grote aantallen deelnemers aan loterijen. Dus je hoopt dat het wel goed zal komen. Meestal slaat de schrik pas om het lijf als er incassobureaus worden ingeschakeld. Dan realiseer je je dat het uit de hand is gelopen. Gelukkig kan je op diverse plekken terecht voor hulp, niet alleen bij ons.

Het is een grote stap om te zetten, maar wel een die je op termijn weer de regie over je leven teruggeeft. En wij betuttelen niet, wij begeleiden je en ondersteunen je met hele praktische dingen zoals het maken van een budgetplan of een plan om schulden af te lossen. Wij kunnen ook bemiddelen met schuldeisers, daar zijn diverse regelingen voor die bij ons bekend zijn. En is formele schuldhulpverlening nodig, dan kunnen wij ondersteunen bij het aanleveren van alle benodigdheden daarvoor. Het is jammer dat mensen vaak te laat naar ons toe komen, dan zijn de problemen al heel groot. Maar in deze samenleving is succes, zelfredzaamheid en individualiteit de norm, dus de drempel is hoog.
Wij zien een deelnemer niet als hulpvrager, maar als een mens die hobbels ervaart. Ons streven is dat mensen weer zelfredzaam worden. Het is heel mooi om te zien hoe mensen gaandeweg het traject weer meer zelfvertrouwen krijgen en uiteindelijk de controle over dat deel van hun leven terugkrijgen.’

Humanitas Thuisadministratie helpt mensen om hun financiële administratie weer op orde te brengen en te houden. Daar zijn geen voorwaarden aan verbonden qua inkomen, leeftijd, achtergrond of levensovertuiging. Wil je meer informatie? Kijk op www.humanitas.nl/afdeling/regio-breda/activiteiten. Humanitas Thuisadminstratie is telefonisch bereikbaar op 06-53449201, voor algemene informatie kun je bellen naar 06-39358576