Shirin Ali, vrijwilligster bij de voedselbank

Na een lange weg komt Shirin als vrijwilligster terecht bij de Voedselbank. Drie dagen per week is ze daar verantwoordelijk voor de afdeling groente en fruit. Dat was enkele jaren geleden onvoorstelbaar: Shirin kookte niet zelf en van groente en fruit wist ze weinig af. Hoe anders is dat nu!

Wie: Shirin Ali (45), getrouwd, drie zonen (10, 11, 14)
Vrijwilligerswerk: Verantwoordelijk voor de groente en fruit bij de voedselbank Breda
Sinds: 2017
Uren per week: 24

Wat houdt je vrijwilligerswerk precies in?

‘Ik zorg er met een team vrijwilligers voor dat alle groente en fruit bij binnenkomst wordt gecontroleerd, gesorteerd en geteld. Daarna slaan we het op, binnen of buiten de koeling, en maken we er pakketten van voor de mensen die naar de voedselbank komen. Het werk is ook behoorlijk fysiek, we sjouwen en tillen hier heel wat af met zware kratten. We zetten bij de voedselbank echt in op goed en gezond eten. Juist voor de deelnemers aan de voedselbank is groente en fruit heel belangrijk, want het is gezond, maar tegelijk ook duur.
Het uitdelen aan de deelnemers, zo noemen we onze klanten, doe ik zelf. Omdat ik verschillende talen spreek, treed ik hier ook zo nu en dan op als tolk.

Hoe ben je erin gerold?

Mijn man kwam 23 jaar gelden als politieke vluchteling naar Nederland. We waren net getrouwd en we misten elkaar verschrikkelijk. Het leven is niet altijd eerlijk. In december 2004 kon ik naar hem toekomen, via Jordanië. Ik heb geluk gehad dat ik bij de Nederlandse ambassade in Amman snel werd geholpen. De reis heb ik zelf betaald. Op Schiphol wachtte hij op mij met een hele grote bos bloemen. Hij was na de jaren dat we elkaar niet hadden gezien alleen maar leuker geworden.
Het was natuurlijk goed om bij mijn man te zijn, maar het was moeilijk om alles, echt alles, achter te laten. Je begint hier met niets. Ik kom uit een groot gezin en vond het heel zwaar om hier bijna helemaal alleen te zijn. Daarbij komt dat ik mijn verhaal niet gemakkelijk met anderen kan delen. Inmiddels zie ik Nederland als mijn tweede vaderland, een mooi land, en de meeste mensen zijn aardig.

Mijn man werkt hier fulltime. In Irak heb ik altijd gestudeerd en gewerkt. Met mijn universitaire studie chemie kon ik in Nederland niet aan de slag. Het taalniveau dat nodig is voor een eventuele vervolgstudie hier is voor mij niet bereikbaar, ondanks de taallessen die ik daarvoor heb gevolgd. Dat is jammer, maar het is niet anders. Ik vond het belangrijk om naast de opvoeding van onze drie zoons en het huishouden een zinvolle invulling van mijn tijd te hebben. En als je alleen thuis zit gaat je Nederlandse taalniveau ook maar achteruit. En, niet in de laatste plaats, Nederand is heel goed voor ons  geweest. En daar wil ik graag iets voor terugdoen.
Daarom ben ik op internet op zoek gegaan naar vrijwilligerswerk dat een beetje in de buurt van ons huis en de school van de kinderen was. Zo kwam ik de voedselbank tegen, waar ik na een gesprek direct aan de slag kon.

Welke eigenschappen heb je ervoor nodig?

Voor het werk dat ik nu doe heb je kennis van groente en fruit nodig. Bij aankomst in Nederland wist ik niets van koken; toen ik studeerde en werkte in Irak had ik daar nooit tijd voor en deed mijn moeder dat. In Nederland heb ik dat mezelf geleerd, via televisie en internet. Zo heb ik ook de verschillende producten leren kennen. Inmiddels weet ik er aardig wat van. En nu ben ik verantwoordelijk voor alle groente en fruit bij de voedselbank.

Als er hier iemand groente komt halen die hij of zij niet kent geef ik er een recept bij dat ik heb gemaakt. De keer daarna vertellen ze dan vaak dat ze het lekker vonden.

Verder moet je het natuurlijk ook leuk vinden om dit werk te doen en interesse in mensen hebben. Ik probeer bijvoorbeeld rekening te houden met de gezinssamenstelling en achtergrond van de deelnemers bij het samenstellen van de pakketten.

Wat kost het je?

Het kost me niets. Er is hier buiten mijn gezin geen familie waar ik naartoe kan of hoef, en als ik vakantiedagen wil, dan kan dat ook gewoon. Ik heb er hart voor en zet me niet anders in dan wanneer het betaald werk zou zijn.

Wat brengt het je?

Door mijn werk hier heb ik veel contact met mensen en dat heb ik ook nodig. Verder heb ik de taal beter leren spreken.

Ik vind het fijn om mensen te kunnen helpen en dat kan hier. Het raakt me erg als iemand zich schaamt om bij de voedselbank te moeten aankloppen. Als ik zo iemand zie huilen, moet ik ook huilen.

Soms treed ik op als tolk; ik vind het vreselijk om een slechte boodschap te helpen overbrengen. Bijvoorbeeld als iemand geen recht meer heeft op voedselbankhulp. Dat vind ik verschrikkelijk, ook al begrijp ik de regels. Gelukkig help ik ook wel eens bij goed nieuws: als iemand te laat is en eigenlijk niet meer naar binnen mag en ik mag zeggen dat het toch mag. Dat vind ik leuk.
Als ik me ergens aan verbind, ga ik er ook echt met heel mijn hart voor. Dat geldt niet alleen voor mijn werk, maar bijvoorbeeld ook voor de opvoeding van de kinderen. Ik werk hier hard, en gelukkig is er flexibiliteit. Als ik bijvoorbeeld onverwacht naar de school van mijn kinderen moet dan kan dat. Natuurlijk kan dat in theorie ook bij een betaalde baan. Maar ik ken mezelf goed genoeg om te weten dat ik daar dan geen gebruik van zou maken.

Ik vind het heel belangrijk dat onze zoons hun kansen hier benutten en allemaal en goede opleiding volgen. Als ik vandaag klaar ben bij de voedselbank, doe ik nog de krantenwijk van een van mijn zoons. Die heeft tentamens en moet zijn tijd daarvoor gebruiken.

Welke boodschap of adviezen heb je voor anderen?

Verspil je tijd niet, doe iets voor een ander. Waar dan ook. Zo heb ik dat ook van mijn ouders en vanuit mijn geloof geleerd. En wees gelukkig met wat je hebt, wees niet ongelukkig om wat je niet hebt.’

De voedselbank geeft in Breda iedere week 570 gezinnen, met in totaal 1600 mensen, te eten. Op drie plekken in Breda verwerken en distribueren daarvoor ongeveer honderd vrijwilligers een miljoen kilo aan eten per jaar. Tijdens de coronacrisis is het aantal deelnemers met zo’n zeven procent gegroeid. Door investeren in goede relaties met winkels en bedrijven kan de voedselbank de toegenomen vraag aan.

Transgenders Eva en Emma redden mensenlevens door luisteren en advies

Het echtpaar Eva en Emma Laurijssens van Engelenhoven hebben een forum voor transgenders opgericht en organiseren het transgendercafé in SAMSAM. Eva is ook Coördinator Suïcidepreventie bij het COC Tilburg Breda. Hun eigen coming out speelt daarbij een grote rol.

Wie: Eva (74) en Emma Laurijssens (50) van Engelenhoven
Beroep: beide in IT-sector; Eva is met pensioen
Vrijwilligerswerk: forum T-Nederland, besloten en openbaar transgendercafé (in SAMSAM te Breda); Coördinator Suïcidepreventie COC Breda Tilburg
Sinds: ongeveer 2012
Uren per week: ongeveer 15 uur

Wat houdt je vrijwilligersbaan precies in?
Emma: ‘Dagelijks lezen we alle vragen die op ons forum worden gesteld, een of twee dozijn. Onze ervaringenzijn handig bij het beantwoorden van vragen. Zoeken leden informatie, dan weten we dat vaak omdat we dit al zo lang doen.’
Eva: ‘We kwamen als bezoekers in een COC-transgendercafé in het oosten van het land. Liesbeth, mijn eerste vrouw, was biseksueel en was erg betrokken bij mijn zoektocht. Ze vond dat we zo’n bijeenkomst zelf konden organiseren, maar dan zónder de inmenging van andere belangengroepen. Dus hielden we eerst T-Amersfoort en na onze verhuizing naar Etten Leur T- Breda in een gewoon café. Dagelijkse gasten zijn daar gewoon welkom. Het coördinatorschap van suïcidepreventie sloot perfect aan op alle vragen en de bijeenkomsten.’

Hoe ben je erin gerold?
Emma: ‘Van jongs af aan voelde ik me anders. Maar ik had geen broertjes en geen neefjes. Dus ik had geen vergelijking en ik werd sowieso anders behandeld als oudste en enige jongen. Je loopt met een gevoel van ‘het past niet’ maar je weet niet waarom. Er was nog geen internet, er waren geen tv-programma’s over transgenders en boeken waren er nauwelijks. Toch had ik wel ideeën over wat er aan de hand was. Toen ik de moed had dat tegen mezelf te zeggen, was ik 26. Dat deelde ik in een kleine groep. Met iemand uit die groep ben ik twee jaar later getrouwd. Zij wilde er niet aan dat ik er iets mee deed, dus stopte ik dat weg.

Beiden hadden we behoefte aan een gezin. Omdat dat niet lukte, werd de seks een verplichting. Ik vond seks niet leuk, maar dat was logisch als er zoveel druk op ligt. In 2005 kregen we een tweeling, Charlotte en Benjamin. Het was opnieuw een stressvolle periode. Het was gemakkelijk om verdere gedachten over mezelf weg te stoppen. Uiteindelijk ging het tussen ons niet meer; in 2012 gingen we uit elkaar.’

Eva: ‘Ik ontmoette een vriendin die van zichzelf dacht dat ze eerder lesbisch was dan heteroseksueel. Maar mij wilde ze wel. Ook wij wilden kinderen, maar het lukte ons niet. De dokter schreef haar DES voor. Misschien wel daardoor heeft ze in 2002 baarmoederhalskanker gekregen. Het duurde gelukkig tot 2014 voor ze stierf. Wij waren bijna 45 jaar getrouwd.
Kort na ons trouwen stonden we een keer voor haar kledingkast. Ze gaf me wat van haar kleding. Ik trok dat in een opwelling aan. Het gaf me zó’n raar gevoel! Ik schrok er enorm van, en heb dat vervolgens jarenlang weggestopt.

Misschien wel dertig jaar later vertelde ik haar op een dag dat ik heel raar had gedroomd: ik kocht pumps voor mezelf. Dat hebben we daarna gedaan; zij rekende ze af. Ze vond het leuk staan als ik in huis, gewoon onder mijn broek, op die pumps liep. Liesbeth aanvaardde me zoals ik ben en stiekem was ze er trots op dat ze was getrouwd met een vrouw.
Samen bezochten we bijeenkomsten van het COC, waar ze ook voor transgenders een avond hadden. Dat associeerden veel mensen toch met gay. “Waarom zetten we zelf niets op”, vroeg Liesbeth mij in 2012. Dat gedaan in Amersfoort, waar we destijds woonden. Toen ik later naar Breda verhuisde, deed ik hier hetzelfde. Inmiddels had ik Emma ontmoet op het forum, dat ik ondertussen ook had opgericht.

Emma is op het forum T-Nederland terecht gekomen met vragen. Hoewel het platform geen datingsite is, kregen wij toch een relatie. We hebben beiden een geslachtaanpassende operatie gedaan, ik in Nederland, Emma in Thailand. Na die operatie heb ik twee dagen continu met een big smile in bed gelegen. Het was wel een van de hoogtepunten.’

Emma: ‘De meeste impact heeft het op je sociale leven. Zelf heb ik dat heel geleidelijk gedaan, dat hoort misschien wel bij die zoektocht. Ik experimenteerde met make up, droeg blanco nagellak. Tijdens een bedrijfsuitje waren we een heel weekend weg. “Waarom draag jij eigenlijk geen gekleurde nagellak?” vroeg een collega me. De volgende dag droeg ik bijpassende nagellak bij mijn blauwe polo. Op die manier wende mijn omgeving eraan.

Charlotte en Benjamin, mijn kinderen, kregen ook van alles mee. Ik vertelde hen dat ik een verwijzing had voor het ziekenhuis. Charlotte reageerde heel laconiek: “Mag ik even je Ipad?” Daar zocht ze op YouTube een filmpje op: van een jongen naar een meisje. “Zo, nu weet ik wat dat is.” 

Benjamin woont inmiddels bij ons. Hij vindt het de gewoonste zaak van de wereld. Sterker nog, hij accepteert veel meer dan zijn leeftijdgenoten, weet ook meer. Bij de moeilijke telefoongesprekken die we voeren, zit hij er soms gewoon bij.

Voor ons beiden zijn al onze ervaringen en de informatie dingen waarmee we anderen kunnen ondersteunen en adviseren. Dat drijft ons wel om door te gaan met dit vrijwilligerswerk. Al is het vrijwillig, het is niet vrijblijvend. We zeggen wel eens dat er ook een café is als wij er niet zijn. Maar in de praktijk werkt het niet zo. Als ze ons niet zien, gaan mensen gewoon weer weg.

Waarin verschilt dit van je ‘gewone’ werk?
Emma: ‘Het scheelt veel minder dan dat je zou denken. In de IT, waar ik werk, lijkt het te gaan om iets technisch. Maar ik ben generalist. Ik knoop specialisten aan de vraag die er ligt. Het komt erop neer dat ik goed moet luisteren en naar het juiste antwoord moet zoeken.”

Eva: ‘Ik bezocht vroeger klanten in de IT. Ook daar had ik heel veel gesprekken. Dat kon ook over bijvoorbeeld rouw gaan. Maar als transgender ben je ook veel bezig met rouw en afscheid nemen. Ik ben zelf altijd een prater geweest. Dus ook bij mij is er niet zoveel verschil en gebruik ik de karaktereigenschappen die ik toch al had.’

Wat kost het je?
Eva: ‘Het kost niet alleen tijd. Voor het deel van suïcidepreventie heb je ook opleidingen nodig. Een deel daarvan vergoedt het COC. Maar als ik naar een duur congres ga, betaalt Emma de vierhonderd euro die dat kost. Zij is degene van ons twee die nu nog geld verdient’, lacht Eva.
Emma: ‘Het kost natuurlijk ook tijd. We lezen iedere dag de vragen op het forum door en geven antwoord. Daarnaast zijn we drie van de vier vrijdagen van vijf uur ’s middags tot een uur ’s nachts aanwezig in een transgendercafé. Dat kost soms eens energie. Enige nazorg is ook wel eens nodig, maar we moeten ervoor waken dat we ze intensief begeleiden – we hebben nog een eigen leven!’

Wat brengt het je?
Eva: ‘Ik heb periodes dat ik redelijk depri ben. Praat ik dan met iemand die suïcidaal is, dan lucht mij dat ook op. Ik relativeer ook meer. En het is wel heel mooi dat het door het forum en zo mogelijk is anderen te helpen.’
‘Het mooiste is dat dit ons bij elkaar heeft gebracht’, zegt Emma met een grote lach op haar gezicht.

Welke tips heb je voor anderen?
Emma gaat door: ‘Wees niet bang om jezelf te zijn. Eerlijk zijn is niet alleen goed voor jezelf, maar ook, voor de mensen om je heen.’
‘Misschien raak je mensen kwijt’, voegt Eva toe, ‘maar als je niet jezelf kunt zijn, wegen zij daar dan tegen op?’

Voor meer info zie www.t-nederland.nl  

Rinus Thijs zet door voor veilige buurt

Rinus Thijs (77) woont al 45 jaar in De Wisselaar, een Bredase wijk die hem nauw aan het hart ligt. In de loop van de tijd zag hij hoe de cohesie van de buurt langzaam maar zeker afkalfde. De snel veranderende populatie van een monoculturele naar een multiculturele buurt is daar volgens hem medeschuldig aan.

Los zand
‘De buurt hangt als los zand aan elkaar’, laat Rinus stellig weten. ‘Voor de mensen die zijn vertrokken kwamen gezinnen uit verschillende culturen terug. Ze spreken hun eigen voertaal en amper Nederlands. Daarom wordt er nauwelijks of niet met elkaar gepraat. Het letten op elkaars spulletjes en lief en leed delen is er bijvoorbeeld niet meer bij. Iedereen volgt zijn eigen pad, er is eigenlijk geen interesse voor elkaar. Dat vind ik erg’, zegt Rinus die er buurtpreventievrijwilliger is.

Overgehaald
Mijn achterbuurman hoefde niet veel te doen om mij over te halen om ook vrijwilliger te worden bij buurtpreventie. Dat is bijna vijf jaar geleden. Mijn laatste vrijwilligerswerk was in de tijd dat mijn kinderen opgroeiden. Twee zoontjes voetbalden toen bij voetbalvereniging B.S.V. Boeimeer. Als vanzelf nam ik daar ook het vrijwilligerswerk op mij en was er onder andere jeugdtrainer. In die tijd heb ik Jean-Paul van Gastel, ex-profvoetballer bij NAC en Feyenoord, nog als pupil onder mijn hoede gehad. Nu ben ik opnieuw vrijwilliger, maar dan eentje van een orde die stukken minder gewaardeerd wordt.

Afgehaakt
Eerst liepen we met z’n tweeën onze preventierondjes door de wijk. Maar al gauw haakte mijn achterbuurman af. Ik sta er nu al meer dan drie jaar alleen voor. Mijn taak is een actieve bijdrage leveren aan het bevorderen van de veiligheid en leefbaarheid van de buurt. Dat wil zeggen: ik moet mijn buurtgenoten zover krijgen, dat zij zich medeverantwoordelijk gaan voelen voor het algemeen welzijn van de buurt. Dat doe ik gelukkig niet alleen, maar samen met de wijkagent, buren, woningbouwcorporatie en de gemeentelijke handhavers. Met z’n allen zetten wij ons in voor een buurt waar het goed leven, wonen en werken is.

Melding doen
Als dat nodig is vraag ik buurtbewoners om alert te zijn op verdachte situaties. Bijvoorbeeld een kliko die niet op z’n plek staat en juist daarom kan worden gebruikt voor inklimming. Verder let ik ook op overlast, zwerfvuil, verkeersgevaarlijke situaties, kapotte straatverlichting en andere gebreken in de openbare ruimte. Klopt er iets niet, dan maak ik daarvan melding bij de gemeente.

Huis- en zwerfvuil
Elke dag loop ik een uurtje of twee mijn preventieronde en bezoek daarbij regelmatig de speeltuin die nog schoon en veilig voor gebruik moet zijn. Zwerfvuil vind ik erg, erger is nog het huisvuil dat naast de ondergrondse vuilcontainers wordt gezet. Het kan natuurlijk wel eens voorkomen dat de vuilcontainer vol is, maar dan geeft het nog geen pas om het huisvuil daar achter te laten. De bewoners rondom deze vuilcontainers klagen daar terecht over. Het schept niet alleen een verpauperend indruk, het brengt ook nog eens ratten, muizen en stankoverlast met zich mee, vooral in de zomermaanden. Meldingen die ik daarover doe worden vaak opgevolgd door handhavers. Soms weten zij de herkomst van het vuil weten te traceren en volgt er een boete.

Bedreigd en gepest
Fysiek kan ik het allemaal wel aan, maar het kost mij eerlijk gezegd mentaal meer inspanning dan al het vrijwilligerswerk dat ik eerder heb gedaan. Ik ben nogal eens bedreigd en ik word af en toe ook weleens gepest. Een paar keer zijn er al eens appels tegen de voorgevel van mijn huis gegooid, kapot gegooid. Ik hoor en zie veel wat er zich zoal in de buurt afspeelt. Dat wordt door sommige buurtbewoners niet erg gewaardeerd, zeker niet als ik hen erop aanspreek. Eind vorig jaar overkwam mij dat nog met een man die huisvuil bij de grondcontainer wegzette. Dat beviel meneer niet en hij nam mij daarom plotsklaps is een wurggreep en werkte mij vervolgens tegen de grond. Gelukkig namen wat jeugdigen het voor mij op, anders was het vermoedelijk heel anders afgelopen.

Trots
Nu bleef het gelukkig bij wat schrammen en kneuzingen, maar ik ben wel erg geschrokken. Eigenlijk wilde ik ermee stoppen. De vele steunbetuigingen die ik na dat voorval kreeg, brachten mij ertoe om tegen de zin van mijn vrouw en kinderen in, toch door te gaan. Daarbij is het ook zo dat de wijk veel voor mij betekent en ben ik er stiekem best trots op dat ik er woon. Het was vooral het bezoek van wethouder Greetje Bos dat mij er mentaal weer bovenop heeft geholpen. Eind december grepen buurtgenoten mijn gouden bruiloft aan om ook hun waardering voor mij uit te spreken.

Waardering
Marianne en ik kregen bonbons, bloemen, een fruitmand en een lieve brief met de tekst: “We kennen jullie in de buurt als trouwe buren, die goed letten op onze veiligheid en veel doen voor een schone en leefbare buurt.” Een echte opsteker. Dat zijn zo van die complimentjes waarop ik lang kan teren. Of ik een held ben weet ik niet, ik blijf gewoon de buurt trouw want die is voor ons allemaal. Dus: join me.’

Echtpaar Touw helpt Indiase kinderen

De helden van januari zijn Jeanne Oomen (65) en Ruud Touw (67). Deze kinderfysiotherapeuten werken drie weken per jaar in een centrum in Karnataka (India), waar ze ook lokale begeleiders trainen. Ruud is daarnaast actief bij Achilles als trainer voor de Racerunners

Wat houdt jullie vrijwilligerswerk precies in?

‘Door armoede en beperkte medische voorzieningen zijn er in India veel meer kinderen met ernstige motorische beperkingen dan hier,’ legt Ruud uit. ‘Kinderfysiotherapie vind je daar nauwelijks, of is voor veel mensen te duur.
Wij werken in een eenvoudig therapiecentrum in een arme streek, in de deelstaat Karnataka in Zuid-India. Daar wordt aan kinderen met verstandelijke en/of motorische beperkingen opvang en onderwijs geboden. Het centrum staat onder de hoede van de Norbertijner orde, die zorgt voor een gedegen structuur.’

Jeanne: ‘We zijn bij ons eerste bezoek begonnen met het stellen van diagnoses, want die waren er niet. Ruud onderzocht de hele dag kinderen en ik schreef zijn bevindingen op in een dossier. Dat waren lange dagen! Na die diagnose stelden we de ontwikkelingsmogelijkheden per kind vast en gaven bij sommigen aan hoe complicaties konden worden voorkomen. Daarmee konden ze ter plaatse aan de slag. De Indiase begeleiders zijn niet specifiek opgeleid en we gaven ze samen basale handvatten voor behandeling. Ruud en ik vullen elkaar ook op vaktechnisch gebied goed aan.

De jaren daarna

Hoewel we tussendoor wel incidenteel contact hadden, was het erg spannend wat we de tweede keer zouden aantreffen. Dat was voor ons allebei een geweldig mooie verrassing; de eenvoudige behandelplannen waren echt opgepakt en het ging met veel kinderen een stuk beter. Om die positieve ontwikkeling te borgen gingen we daarna per kind in op de vragen die de begeleiders waren tegengekomen. Het was mooi om te zien hoe gemotiveerd en serieus zij hun taak namen.
De derde keer dat we er waren hebben we gefocust op het opzetten en bijhouden van dossiers. Verder leerden we het personeel om testen uit te voeren om het motorische vaardigheidsniveau van de kinderen vast te stellen en dat goed te registreren. Na afloop gaven we ze een welverdiend diploma, iets waar ze terecht heel trots op waren.’

Ruud: ’De directeur van het Indiase centrum kwam op bezoek in Nederland en wilde graag ook onze fysiovoorzieningen zien. Ik had hem bij Revant, waar ik toen werkte, natuurlijk onze geweldige hulpmiddelen kunnen laten zien. Maar omdat je daar in India niet zoveel mee opschiet koos ik voor een bezoek aan een zorgboerderij. Daar zijn mensen met beperkingen actief op allerlei gebied, zoals groenvoorziening, eten bereiden en allerlei huishoudelijk werk. De pictogrammen (tekeningen voor eenvoudige handelingen) die hij daar zag, worden nu ook in India gebruikt.

Hoe ben je erin gerold?

Ruud: ’Kees en Hennie de Wit waren al langer actief in Zuid-India met hun stichting Care Karnataka. Ze zorgden er onder andere voor dat er nu een echt schoolgebouw staat. Kees was geïnteresseerd in fysiomaterialen, en hij kwam langs om hulpmiddelen te zien die ze ter plaatse konden maken. Jeanne en ik waren eerder al eens zes weken in Nepal geweest, om daar ook als kinderfysiotherapeut te werken. Kees was enthousiast en vroeg of we ook niet eens meekonden naar India. Dat leek niet zo goed uit te komen omdat we net dat jaar naar Ethiopië zouden gaan om daar les te geven op ons vakgebied. Maar we besloten vervolgens om toch ook naar India te gaan. En toen is het gaan lopen.’

Waarin verschilt het van je gewone werk?

‘Als kinderfysiotherapeut doen we in India eigenlijk hetzelfde werk als we in Nederland deden, maar met veel minder middelen en medische expertise in de omgeving’, legt Jeanne uit. Ruud: ‘Je moet daar echt op zoek naar mogelijkheden. Je ziet een kind dat al heel lang alleen op een cementen vloertje ligt en dat wil je natuurlijk tenminste een zittend bestaan geven. Je maakt dan werktekeningen en bouwt iets met wat daar beschikbaar is. Zo’n kind komt dan terecht in een goed gesteunde zittende houding, waardoor z’n leven echt verandert en het onderwijs kan volgen.’

Jeanne: ’Natuurlijk is het voor dit werk nodig dat je flexibel bent en een beetje creatief. Liefst ook avontuurlijk ingesteld. Maar de belangrijkste basis is voor ons altijd deskundigheid, evenals respect voor de lokale bevolking.’

Wat kost het je?

‘Toen we allebei nog werkten’ gaat Jeanne door, ‘namen we onze vrije dagen op om naar India te gaan en waren we natuurlijk ook bezig met de voorbereiding. De kosten voor de vliegtickets en het verblijf daar betalen we zelf.

Als je, zoals wij, zelf veel kansen hebt gekregen om je talent te ontwikkelen mag je ook wel iets terugdoen. Niet alleen hier, maar ook verder weg. En het is een mooie voortzetting van onze actieve loopbaan.’

Wat is je leukste ervaring?

Ruud: ‘Een van de mooiste dingen die ik daar meemaakte gebeurde toen we een jongen met ernstige beperkingen op de stenen vloer zagen liggen. Ik heb toen een grote kookschaal die daar lag omgedraaid en die jongen geholpen om daar met stokken op te slaan. Hij fleurde helemaal op en het klonk echt mooi. Uiteindelijk is het met hem goed gekomen en is hij met wat aanpassingen zelfs naar school gegaan.’

Jeanne: ‘Ik vond het erg mooi dat we er met een sta-plank voor konden zorgen dat kinderen die nog nooit hadden gestaan, dat zo wel konden. Met echt simpele hulpmiddelen veranderde hun wereld.’

Welke tips heb je voor anderen?

‘Je moet niet huiverig zijn om je deskundigheid in ontwikkelingslanden in te zetten’, zegt Ruud. ‘Het is echt een enorme verrijking. Je leert meer kijken naar mogelijkheden dan beperkingen.’ Jeanne: ‘Als je elkaar vanuit respect benadert kun je samen echt ver komen.’

Verder is Ruud iedere week ook een paar uur actief als trainer bij Achilles voor de racerunners, fietsen zonder trappers voor kinderen en volwassenen met motorische beperkingen. Iemand die binnenskamers maar een paar passen kan lopen kan met dit hulpmiddel ‘rennend’ grote afstanden leren afleggen. Zo wordt de wereld opeens een heel stuk groter.

Lous Geelkerken al 65 jaar vrijwilligster

Held van December Lous is niet alleen heilsoldaat van het Leger des Heils, maar ze is ook op vele andere plekken vrijwiligster. En dat al meer dan 65 jaar!

‘Ik ben geboren in Amsterdam en ik ben de oudste van zes kinderen. Omdat mijn ouders allebei geen sterke gezondheid hadden was ik al snel degene die op de andere kinderen lette en voor ze zorgde. Ik nam ze mee naar de speeltuin en verzon allerlei spelletjes. Daar deden ook andere kinderen aan mee. Zo rolde ik vanzelf in het vrijwilligerswerk.
Toen ik elf, twaalf jaar was, werd ik gevraagd om in de speeltuin in Amsterdam-Zuid te helpen. Ik genoot er van, was dol op kinderen en besloot dan ook kleuterjuf te worden. Tijdens de zomervakanties organiseerde ik de vakantieschool in Amsterdam, voor kinderen uit de volkswijken, en later de zomerkampen. Een geweldige tijd!

In ons gezin was geloof heel belangrijk. Wij waren lid van de Remonstrantse kerk. Maar zo rond mijn twintigste vond ik daar niet meer wat ik zocht. Een vriendin met wie ik in een koor zong vroeg of ik mee wilde naar de Middernachtzending van Majoor Bosshardt. Dat deed ik; ik vond het geweldig. De majoor liep voorop, samen met een accordeonist, en wij liepen er in optocht achteraan en zongen liederen.
Na een aantal weken vroeg mijn vriendin: “Waarom kom jij niet bij het Leger, je vindt dit toch mooi? Waar wacht je op?” Een nog belangrijker vraag was: “Hoe kan je nee zeggen tegen God en geen ja?”
Die vraag zette me echt aan het denken, ik wilde vooral weten waarom ik “ja” zou zeggen. Ik vond de Remonstrantse kerk vrij elitair, ik groeide bevoorrecht op. Maar met de majoor kwam ik op de Wallen, in de volksbuurten, dat  trok mij aan, daar kon ik echt iets betekenen. Ik werd ook leidster bij de kabouters en de padvinders van het Leger des Heils. Met de majoor ging ik op huisbezoeken, we verkochten de Strijdkreet en ik zag hoe zij echt met iedereen kon praten en naar iedereen luisterde. Dat wilde ik ook. Dit inspireerde me ook om maatschappelijk werk te gaan studeren. Na een paar jaar meelopen met de majoor werd ik in 1964 officieel Heilsoldaat.

Gaandeweg ging een deel van ons gezin mee naar het Leger en werd het hele gezin, op mijn vader en een broer na, ook heilsoldaat. Na het overlijden van mijn vader verhuisde mijn moeder en de rest van het gezin naar het oosten van het land, ik volgde hen. In Hoogeveen ben ik de koffiebar begonnen vanuit het Leger en gaf ik les aan corpscadetten ter voorbereiding op het heilsoldaatschap. Ik deed maatschappelijk werk en dat hield niet op na werktijd; ik probeerde voor iedereen die problemen had klaar te staan.

Het waren tropenjaren. Toen ik voelde dat het teveel werd voor me, besloot ik even wat rust te nemen en werd ik hoofd op een kinderdagverblijf, bij de kleuters. Ik voelde gewoon dat ik er anders aan onderdoor zou gaan. Maar na dat jaar trok het maatschappelijk werk me toch weer. Na wat omzwervingen in het oosten van het land ben ik uiteindelijk in Breda terechtgekomen, als maatschappelijk werker in het revalidatiecentrum. Natuurlijk was ik ook hier actief voor het Leger, vooral bij het Open Huis. Maar ook in de verschillende buurten waar ik heb gewoond deed ik van alles. Ik maakte bijvoorbeeld kerststukjes met de buurtkinderen en bakte oliebollen voor 70-plussers. Het Open Huis is erg belangrijk voor me geweest, ik heb nog altijd contacten met medevrijwilligers en bezoekers uit die tijd en ik ben er ook nog niet zo lang weg. Ik knutselde daar met moeders en kinderen, gaf leiding aan de jeugdafdeling en deed ook nog steeds openluchtwerk. Veel mensen kennen daar het Leger des Heils van, omdat we rond Kerst met onze geldpotten op drukke plaatsen stonden. Dit jaar kan dat helaas niet.

Na achttien jaar werd mijn functie bij het revalidatiecentrum wegbezuinigd en kwam ik opnieuw voor de kleuterklas, dit keer bij de Vrije School. Ik heb daar weer met heel veel plezier gewerkt en had het erg druk met al het vrijwilligerswerk daarnaast. Na mijn pensioen heb ik me gemeld als vrijwilliger bij StiB bij de palliatieve zorg en bij de stichting Mentorschap. Daar begeleidde ik mensen die dementerend zijn, ik was  contactpersoon tussen hen en de zorg, ik heb denk ik zes personen langdurig begeleid. Ik zette me ook in voor het Alzheimercafé, waar we een van de eerste telefooncirkels hebben georganiseerd. Omdat ik een nachtmens ben, vond ik het niet erg als ik ’s nachts werd gebeld! Maar gaandeweg ging er steeds meer via de computer, er kwamen steeds minder bellers en uiteindelijk is de telefooncirkel Breda opgeheven en ben ik overgestapt naar het landelijke netwerk. Ik heb nog wel computercursussen gedaan, maar het digitale contact past niet bij me en dus ben ik daarmee gestopt.

Mijn hele leven heeft in het teken gestaan van het Leger des Heils. Ik heb nooit de behoefte gehad om mensen te bekeren, maar wilde hen wel laten zien wat het voor je kan betekenen als je God naast je hebt in je leven. Ik had nooit de behoefte om te trouwen en zelf kinderen krijgen wilde ik niet. Ik heb altijd gezegd: ik heb er al genoeg!
Ik ben altijd met kinderen bezig geweest, moest van jongs af aan veel zorgen en was blij dat ik ze weer terug aan hun ouders kon geven! De Koninklijke Onderscheiding die ik een aantal jaren geleden kreeg, vond ik een blijk van waardering voor mijn inzet voor anderen. Maar het vrijwilligerswerk heeft ook heel veel voor mij betekend, zeker ook in de moeilijke tijden van mijn leven, want die waren er natuurlijk. Hoe ellendig ik me ook voelde, ik wist dat er mensen waren die op mij rekenden. Ik ging er naartoe en kwam opgeknapt terug. Het geeft zoveel voldoening om iets voor een ander te doen. En ook al heb ik een groot deel van mijn leven alleen gewoond, eenzaam ben ik nooit geweest, want ik heb altijd God naast me gevoeld.’

Ad den Boer, coördinator Thuisadministratie, in de spotlights

Deze maand is Ad, vrijwilliger bij Humanitas, gekozen als Held van de Maand. Zelf ziet hij de deelnemers als Helden.

‘Ik wil meteen heel duidelijk gezegd hebben dat ik mezelf helemaal niet als held zie. De mensen die in administratieve en financiële problemen zijn geraakt en de moed hebben om dat te erkennen en hulp te vragen, dat zijn voor mij de (stille) helden. Daar is zoveel moed voor nodig! Ik vind dat heel dapper. Ieder mens wil in principe goed voor zichzelf en zijn naasten zorgen, als dat om wat voor reden dan ook niet meer lukt is het echt niet makkelijk om dat toe te geven, geldproblemen zijn nog steeds een taboe in onze samenleving.

In het dorp waar ik opgroeide, was mijn vader ambtenaar. Binnen dat dorp was altijd heel duidelijk wie het goed had en wie niet. De gemeenschapszin was er groot. Mijn vader was een voorbeeld voor me, hij was actief als stille kracht, zorgde dat de kruisvereniging in het dorp kwam en een bibliotheek, was actief bij sportverenigingen en in de kerk. Mensen leefden niet zo anoniem als nu en hielpen elkaar waar ze konden. Dat is voor mij wel een bepalend gevoel in mijn leven, dat je elkaar moet helpen.

Ik studeerde in de jaren ’60, de tijd van medezeggenschap. Maar ik voelde me ook verantwoordelijk, ik was me er van bewust dat de samenleving meebetaalde aan mijn studie. Ik heb altijd als zelfstandig organisatie-adviseur gewerkt, met ondernemingsraden als doelgroep. Ook begeleidde ik fusies en reorganisaties.

Toen ik met pensioen ging zocht ik zinvol vrijwilligerswerk en ik kwam terecht bij de Taalmaatjes van bij Humanitas. Humanitas gaat uit van gelijkwaardigheid, dat vind ik heel belangrijk. Daar hoorde ik dat er plannen waren om een afdeling Thuisadministratie op te zetten. Dat was echt iets voor mij.  In 2015 zijn we gewoon begonnen.
Het coördineren daarvan vond ik echt een leuke klus. Inmiddels zijn we met twee coördinatoren en een goed team van vrijwilligers. Op jaarbasis helpen we zo’n zestig mensen – de een heeft langer begeleiding nodig dan de ander. Mensen komen bij ons terecht vanuit maatschappelijke organisaties of gewoon via mond-op-mond reclame.

Als coördinator doe ik de intakegesprekken met de deelnemers. Standaardvraag daarbij is: over wat voor soort vrijwilliger zou u boos worden? Want wat mensen echt willen, weten ze vaak niet maar wat ze niet willen, is heel duidelijk.
Tijdens dat gesprek krijg ik een goed beeld van welke vrijwilliger bij iemand past. Naast het koppelen van deelnemers en vrijwilligers geef je als coördinator ondersteuning aan de vrijwilligers, en regel je de praktische kanten zoals bijeenkomsten, locaties en scholing. Als je als vrijwilliger bij ons start krijg je eerst een onlinetraining. Daarna volgen persoonlijke trainingen.

Ieder mens maakt periodes mee in het leven waarbij er zoveel gebeurt dat je het overzicht wat kwijtraakt. Ziekte, spanningen op het werk, problemen met de kinderen, zorg voor ouders, noem het maar op. Ik denk dat we dit allemaal herkennen. Als zo’n periode van grote stress wat langer duurt raak je het vermogen om je te concentreren kwijt. Dan vergeet je bijvoorbeeld die bon voor te hard rijden te betalen en komt er een aanmaning, die je vervolgens ook weer weg legt. Of de rekeningen die per mail binnen komen zie je over het hoofd.
Zo kan het best snel uit de hand lopen. Het zit in de mens om kansen hoger in te schatten dan risico’s, kijk maar naar de grote aantallen deelnemers aan loterijen. Dus je hoopt dat het wel goed zal komen. Meestal slaat de schrik pas om het lijf als er incassobureaus worden ingeschakeld. Dan realiseer je je dat het uit de hand is gelopen. Gelukkig kan je op diverse plekken terecht voor hulp, niet alleen bij ons.

Het is een grote stap om te zetten, maar wel een die je op termijn weer de regie over je leven teruggeeft. En wij betuttelen niet, wij begeleiden je en ondersteunen je met hele praktische dingen zoals het maken van een budgetplan of een plan om schulden af te lossen. Wij kunnen ook bemiddelen met schuldeisers, daar zijn diverse regelingen voor die bij ons bekend zijn. En is formele schuldhulpverlening nodig, dan kunnen wij ondersteunen bij het aanleveren van alle benodigdheden daarvoor. Het is jammer dat mensen vaak te laat naar ons toe komen, dan zijn de problemen al heel groot. Maar in deze samenleving is succes, zelfredzaamheid en individualiteit de norm, dus de drempel is hoog.
Wij zien een deelnemer niet als hulpvrager, maar als een mens die hobbels ervaart. Ons streven is dat mensen weer zelfredzaam worden. Het is heel mooi om te zien hoe mensen gaandeweg het traject weer meer zelfvertrouwen krijgen en uiteindelijk de controle over dat deel van hun leven terugkrijgen.’

Humanitas Thuisadministratie helpt mensen om hun financiële administratie weer op orde te brengen en te houden. Daar zijn geen voorwaarden aan verbonden qua inkomen, leeftijd, achtergrond of levensovertuiging. Wil je meer informatie? Kijk op www.humanitas.nl/afdeling/regio-breda/activiteiten. Humanitas Thuisadminstratie is telefonisch bereikbaar op 06-53449201, voor algemene informatie kun je bellen naar 06-39358576

Rosine Antersijn – vrijwilliger en duizendpoot

Rosine Antersijn is niet in een hokje te vangen. Ze is een vrijwilligersduizendpoot. Haar vrijwilligerswerk doet ze vanuit haar hart.

‘Ik heb dat van mijn moeder meegekregen. Die had dertien kinderen en twaalf pleegkinderen en altijd stond ze voor iedereen klaar. Ze is nu 99 jaar maar nog steeds actief, ze gaat overal heen. Niets houdt haar tegen. Dat heb ik ook. Ook ik zal kinderen altijd voorop stellen.
Als jongeren in mijn buurt het lastig hebben en een praatje willen maken, kunnen ze altijd bij me terecht. Maar ik ben wel eerlijk en direct tegen ze. Ik noem ze vaak lachend mijn ‘kinderen zonder pijn’!
Vanuit mijn liefde voor kinderen ben ik ook bij het Brakkenfestival terecht gekomen. Eerst als vrijwilliger, nu ook als bestuurslid. Ik doe dat al meer dan twintig jaar. Het is een hele klus, de week vooraf bouwen we op en na afloop ruimen we alles weer op. Ik ben er dan elke dag van zeven uur tot ongeveer half elf ’s avonds, want we praten altijd de dag nog door. Door corona kon het dit jaar helaas niet doorgaan. We willen goed voor onze vrijwilligers zorgen, dat heeft de doorslag gegeven. Die zijn goud waard tenslotte! Ik hoop dat het volgend jaar weer door kan gaan …

Ik kwam van Curaçao naar Nederland op mijn 26ste. Een aantal zussen woonde al hier, maar het was toch wel eenzaam op mijn kamertje in Den Haag. Ik heb een opleiding in de ouderenzorg gedaan en werkte met veel plezier. Toen ik wilde gaan starten met de opleiding tot verpleegkundige werd mijn oudste dochter geboren. Ze bleek het syndroom van Down te hebben en daarom ben ik gestopt met werken. Ik wilde zelf voor haar zorgen en haar alle kansen geven. Daarna kreeg ik nog een dochter, die inmiddels ook een zeer zelfstandige vrouw is.
Dat ze zo goed mogelijk voor zichzelf kunnen zorgen vind ik heel belangrijk. Toen de meiden wat ouder waren, ben ik gaan werken als beheerder van diverse buurthuizen, maar ik heb er altijd vrijwilligerswerk naast gedaan. Ik heb veel geduld, ben altijd vrolijk, ik word er gewoon heel gelukkig van. En ik kijk niet naar tijd, als iemand een praatje nodig heeft dan luister ik zo lang als dat nodig is.

Nadat mijn werk als beheerder gestopt is, ben ik vrijwilligerswerk blijven doen. Ik had inmiddels een heel groot netwerk en mensen wisten me wel te vinden. Zo ben ik gevraagd voor de Denktank. Dat is een groep Bredanaars met zeer diverse achtergronden, die problemen signaleert en adviezen geeft. Ook ben ik gevraagd als jurylid voor de Jeugdhelden van Breda.
Ik vind vrouwenemancipatie heel belangrijk. Het realiseren van vrouwenhuizen blijft nog een droom van me. In één pand kinderopvang, werkplekken, begeleiding, trainingen voor vrouwen die al lang niet meer buitenshuis hebben gewerkt. Dat zou met behoud van uitkering gerund moeten worden door vrijwilligers. Voor ik mijn ogen voorgoed dichtdoe wil ik die droom realiseren!

Vrijwilligerswerk moet je doen vanuit je hart, je moet niks terugverwachten. Dan kan je er zoveel plezier aan hebben! Ik geniet als (vrijwillig) fotograaf van het Guldenbal – het ouderencarnaval, waar ik bij help. Ik heb met veel plezier bij de Buurtbemiddelaars gewerkt als vrijwilliger. Ik help mee met de Nassaudag, ook geweldig om te doen. En in de Hoge Vucht draai ik mee in het Wijkplatform, dat wijkbewoners helpt om dingen te organiseren die bijdragen aan verbinding, aan saamhorigheid. Voor veel kinderen in de buurt ben ik een ‘tante’, de mensen in mijn buurt weten dat ik voor ze klaar sta. Dan krijg je ook liefde terug.
In de Antilliaanse gemeenschap is het niet gewoon om je vuile was buiten te hangen of om hulp te vragen, daar zijn we meestal te trots voor. Maar ik ben blij met de hulp die ik van mensen om mij heen krijg, nu ik die zelf nodig heb. Want ik heb een laag inkomen en ben heel dankbaar dat de Voedselbank mij helpt. Zo kan ik blijven doen waar ik gelukkig van word!’

Wouter Schelvis zet zich in voor toegankelijkheid

Werk, sport en hobby lopen bij Wouter nogal door elkaar. Er is één grote gemene deler: aandacht voor toegankelijkheid. Wouterstond mede aan de wieg van de inmiddels grote afdeling Aangepast sporten bij A.V. Sprint

‘Ik heb het van huis uit meegekregen, mijn moeder was een zeer sociaal voelend mens en heel actief. Zij heeft me ook geleerd om ieder mens als volwaardig te beschouwen. Omdat ik zelf enorm van sport en met name atletiek houd, vindt mijn vrijwilligerswerk vooral plaats in deze wereld. Binnen ons gezin is sport ook erg belangrijk, we geven elkaar ook de ruimte om daarin te doen wat we graag willen. Zelf houd ik erg van trailrunning: grotendeels onverhard en liefst in de bergen, over smalle paadjes. Ik gun iedereen het plezier dat je kunt halen uit sporten. Je leert je grenzen verleggen en wordt daardoor zelfverzekerder. Dat geldt voor iedereen, ook voor mensen met een handicap.

Toen Sprint in 1983 een kunststof atletiekbaan kreeg kwamen er mogelijkheden voor aangepast sporten. Samen met Thea Martens (dat is nou mijn held!) heb ik toen de afdeling Aangepast sporten opgericht. Destijds waren dat vooral rolstoelers, maar inmiddels is de afdeling heel divers en uitgebreid. Ik vind het belangrijk om daarbij de sport aan te passen aan de persoon, niet aan zijn of haar beperking. Je moet altijd naar de mens blijven kijken. Samen met Thea organiseerde ik ook de eerste Mytylscholensportdag van Midden- en West-Brabant. Daarbij betrokken we de jongste atleetjes van Sprint. Later zijn we dat gaan doen met basisschoolleerlingen. Prachtig om te zien hoe deze kinderen samen aan de slag gaan tijdens onze Special Kidsdag. Daar is niet alleen aandacht voor atletiek, maar vooral voor het samen spelen en sporten. BredaGelijk speelt hier inmiddels ook een grote rol in. Het is voor mij een van de hoogtepunten van het jaar. Helaas gaat het door corona dit jaar niet door, hopelijk is het volgend jaar weer mogelijk.

Door evenementen als de Kidsdag komen kinderen met en zonder beperking met elkaar in contact. Omdat er meer aandacht is in de media voor aangepaste sporten en zeker ook voor de toppers daarin, krijgen zij ook een voorbeeldfunctie. De Paralympics en ook de Bredase Paragames laten zien hoe hard er gewerkt wordt door deze atleten. Dit verlaagt allemaal de drempel om te gaan sporten.
Ik vind het altijd weer prachtig om te zien dat iemand die daarmee begint zichzelf ontwikkelt, zich zekerder gaat voelen, dat ontroert me gewoon iedere keer weer. Dat is wat sport kan doen. Bij Sprint is de groep Aangepast sporten, of de Specials zoals wij ze noemen, enorm gegroeid. En ook bij andere sporten zie je dat er steeds meer mogelijkheden komen. Wij hebben nu in samenwerking met Visio en Breda Actief een runningblind afdeling opgericht. Johanny Gelens, een slechtziende atlete uit Zevenbergen, is daarbij een geweldig voorbeeld. We hebben inmiddels buddy’s die mee willen lopen, de baan is geschikt, de structuur binnen de vereniging is klaar. We hopen op blinden of slechtzienden die willen gaan hardlopen.
Johanny gaat tijdens de Singelloop meedoen met de 40 van Breda, ze zal twee keeer een lus van tien kilometer lopen. Zo willen we geld inzamelen voor deze afdeling, die op 7 oktober a.s. weer van start gaat.

Ik ben van de drie H’s: hardlopen, handicap en humor. De eerste twee zijn wel duidelijk, de humor is wat veel mensen op de been houdt. Het helpt relativeren, er wordt ontzettend veel gelachen door de aangepaste sporters. Ik hoor echt grappen die ik niet durf te herhalen, zo hard! Ik houd daar wel van, al moeten problemen niet weggelachen worden. Maar het maakt heel veel wel wat dragelijker en helpt mensen om niet bij de pakken neer te zitten. Omdat ik veel omga met mensen die een beperking hebben, relativeert dat je eigen sores. Ik heb glaucoom en moet omdat ik nieuwe lenzen krijg binnenkort twee weken zonder contactlenzen door het leven. Dan ben ik even visueel beperkt en kan bijvoorbeeld niet autorijden. Maar daar zal ik echt niet over zeuren met zoveel mensen om me heen die hier dagelijks en altijd mee te maken hebben.

De houding die er vroeger was naar mensen met een beperking is gelukkig wel veranderd, al zijn we er nog lang niet. Ik herinner me dat ik flink commentaar kreeg toen ik zelf in een rolstoel de baan op ging, sommige mensen vonden dat dat echt niet kon, dat was spotten met een handicap! Nou nee dus, het is je verplaatsen in de situatie van een ander. Ik probeer dat altijd te doen, als je bijvoorbeeld een bezoek aan de stad brengt met een blinddoek voor merk je pas echt wat de obstakels zijn! Door de langzaam veranderende houding in de maatschappij zijn mensen met een beperking ook mondiger geworden, ze willen terecht voor vol worden aangezien. Geen gepamper, maar zelf het heft in handen nemen en zoveel mogelijk hun eigen leven bepalen.
Ik zet me altijd in voor toegankelijkheid. Het is belangrijk dat iedereen toegang heeft tot wat onze stad biedt, daarom ben ik ook betrokken bij Breda Gelijk. Daarin loopt Breda voorop, al is het heel jammer dat bijvoorbeeld bij de tijdelijke brug in de Belcrumhaven niet is gedacht aan mensen in een rolstoel. Het is heel goed dat mensen als Marcel Brans en Marcel van de Muysenberg luid en duidelijk aandacht vragen hiervoor. Ook zij zetten zich in voor Breda Gelijk. In het algemeen is Breda een lichtend voorbeeld, er wordt samengewerkt door burgers, onderwijsinstellingen en ondernemersorganisaties. Ik zie dat er bij de gemeente ook steeds meer mensen meedenken. In januari dit jaar, vlak voor de coronacrisis uitbrak, was ik op een beurs in Madrid. We lieten daar zien hoe toegankelijk Breda is en hoe we ook de Vuelta toegankelijk zouden maken. Daar kregen we een prijs voor, helaas is het allemaal niet doorgegaan. Jammer, want de Vuelta was een geweldige kans geweest om heel veel aandacht te krijgen voor toegankelijkheid. Wie weet volgend jaar …’

Wil jij ook aangepast sporten in of rond Breda? Kijk op www.unieksporten.nl/brabant En bij Sprint ben je als blinde of slechtziende loper, (ook beginners!) welkom bij de Running Blind afdeling, die op 7 oktober a.s. weer opstart. Mail voor informatie naar secretariaat.aas@avsprint.nl

Kees van Meel geeft creatief talent een podium

Kees van Meel is dichter en heeft enorm veel betekenis voor het culturele leven in Breda.  Door zijn vrijwillige inzet heeft al heel wat talent de kans gekregen zijn of haar werk te laten zien.

Kees heeft een enorme drang om zijn grenzen te onderzoeken, zowel in zijn poëzie als daarbuiten. ‘Ik ben een hartstochtelijk mens, vind altijd dat ik te weinig doe. Ik wil het beste uit mezelf halen, maar ook uit anderen. Daarom probeer ik kunstenaars te stimuleren om hun werk te laten zien, ook al vinden ze dat soms spannend. Want je stelt je dan wel kwetsbaar op! Ik weet uit ervaring hoe het voelt.
Toen ik in de jaren ’90 voor het eerst mijn werk voordroeg in de Grote Kerk, viel dat niet mee – er kwam nauwelijks reactie. En toch voelde het goed, want ik was gaan staan voor wat ik had gemaakt. Daarna werd de respons gelukkig beter en nu treed ik zeer regelmatig op met mijn gedichten. Het is de laatste jaren wel wat doorgeslagen in Nederland, nu wordt wel heel makkelijk geklapt. Daar hou ik niet van, je moet applaus verdienen.
Als theaterrecensent heb ik jaren geleden een recensie geschreven over theatergroep Tiuri. Daarop werd me gevraagd of ik hen wilde helpen om professioneler te worden. Dan kun je niet alles ‘leuk’ vinden, dan mag en moet je ook eisen stellen. Zo help je mensen vooruit. Dat doe ik ook in het blad Part, waarin gehandicapte kunstenaars zich presenteren. Ik neem iedereen serieus in hun werk, dat is een kwestie van respect.

Al tijdens mijn jaren als docent op de MAVO merkte ik dat leerlingen het leuk vinden als je ze de kans geeft te doen wat ze kunnen. Ik herinner me dat ik in 4 MAVO Marieke van Nimwegen voorlas, iemand zei toen: “Dat moeten we opvoeren.” En dat hebben we gedaan, de hele klas deed mee. Ieder deed iets waarin hij of zij zich goed voelde, of dat nu kaartjes verkopen was of de hoofdrol. Het was geweldig, zij voelden dat ik vertrouwen in ze had en ik zag ze groeien.
Het inspireerde mij, niet alleen voor mijn leerlingen, maar ook daarbuiten, voor collega-kunstenaars. Dus ben ik van alles gaan organiseren. Krijg ik een idee, dan zoek ik er twee andere mensen bij die iets anders kunnen dan ik. Drie is voor mij het ideale aantal, je krijgt genoeg  feedback en tegengas waar nodig, maar de lijnen blijven kort en je hoeft niet oeverloos te discussiëren. Zo zijn mooie projecten ontstaan in Salon Zuyd, de Koe, Publieke Werken en Muzipo en ook het Cultuurpodium. Ik heb inmiddels een heel groot netwerk en kan dus echt wat betekenen voor bijvoorbeeld beginnende kunstenaars. 

Voor BredaNu maak ik het radioprogramma Grensgeluiden, dat doe ik nu zo’n twintig jaar. Ik werd gevraagd als ‘gewoon mens’ om eens radio te maken. Mijn aparte, wat hese stemgeluid viel nogal in de smaak en zo groeide dit, in samenwerking met Debby Peeters. Op een gegeven ik moment ben ik alleen verder gegaan.
Ik bereid me heel goed voor, maar bepaal niet van te voren hoe een gesprek zal lopen, dat hangt helemaal af van het moment. Voor televisie maak ik inmiddels het programma Kijk in Kunst waarin kunstenaars in diverse disciplines interview, het liefst in hun werkomgeving. Ook daarin stel ik de vragen waarvan ik denk dat de kijker die wil stellen. Ik hoop hiermee ook mensen te bereiken die niet meteen van huis uit geïnteresseerd zijn in cultuur en ik krijg daar gelukkig ook regelmatig reacties van. Dat geeft veel voldoening. Voor veel mensen is het verschil tussen kunst en hobby niet duidelijk, door deze programma’s probeer ik te laten zien dat kunstenaar een beroep is, met een behoorlijke portie vakmanschap. Een kunstenaar moet in mijn ogen een visie hebben, moet kunnen uitleggen wat de essentie is van het kunstwerk. Dan maakt het niet uit welke vorm daarvoor gekozen wordt, dat kan een tekst zijn, een theaterstuk, muziek, dans of beeldende kunst.
Als ik geloof in iemand zal ik mijn uiterste best doen om hem of haar te helpen. Bijvoorbeeld tijdens het Cultuurpodium dat ik mede organiseer. Het komt regelmatig voor dat mensen onzeker zijn, bang zijn dat hun werk niet goed genoeg is. Ik probeer ze dat zetje te geven, want ik heb zelf ervaren hoeveel voldoening optreden kan geven. Er gaan heel wat uren zitten in deze activiteiten, maar in mijn ogen is het belangrijk om dit te laten zien. Nederland geeft geen moer meer om kunst, de financiële waardering is echt heel slecht. We mogen daarin best weer een beetje opgevoed worden.’

Kees is zelf inmiddels een goed gelezen dichter en wordt regelmatig uitgenodigd om uit eigen werk voor te dragen. Hij kan door van alles en nog wat geïnspireerd raken, zijn werk is gevoelsmatig maar volgens hem ook exact. Het is vertaald in het Engels, Frans, Kroatisch en Roemeens.
In Breda is hij zeker ook bekend als voormalig Stadsdichter. Om de dichtkunst te stimuleren is hij ook betrokken bij de Gedichtendag Breda en de Open Podium Poezie Prijs Breda. ‘Die naam is ontstaan uit een soort serieuze baldadigheid om drempels voor beginnende dichters te slechten. De ingezonden gedichten zijn niet zozeer beoordeeld op de kwaliteit van de poëzie  want we willen een pril begin niet frustreren. We hopen dit in de toekomst ruimer op te zetten, helaas heeft corona hier ook roet in het eten gegooid. Maar wie weet blijkt deze periode straks een grote inspiratiebron te zijn geweest. Voor mijzelf was het dat in elk geval wel, ik heb achttien coronagedichten gemaakt.‘

Meer weten over Kees van Meel? Kijk op www.keesvanmeel.nl of op www.bredanu.nl voor meer informatie over Grensgeluiden en Kijk in Kunst

Held van juli Derk Hueting wil duurzaamheid

Naast zijn jarenlange inzet voor duurzaam leven knokt Derk ook voor energietransitie. Derk is er van overtuigd dat de manier waarop we leven te veel vraagt van Moeder Aarde.

Tekst: Joyce van Zijl-Lak
Foto: Derk Hueting

‘Tijdens mijn studie Civiele Planologie heb ik mijn afstudeerstage gedaan in Nicaragua. Daar was toen net revolutie geweest, de dictator was het land uitgezet en het volk kwam aan de macht. Dat inspireerde mij en ik droomde ervan om ontwikkelingswerk te gaan doen. Later is die revolutie overigens ook weer ontaard in een dictatuur, maar dat terzijde.
Tijdens die stage merkte ik dat altijd ver van huis zijn niet bij me past. Na mijn afstuderen deed ik vervangende dienstplicht bij een bureau dat door studievrienden was gestart. Dat bureau heette “De Straat”, en dat zegt precies wat we deden. Wij ondersteunden bewoners bij ruimtelijke plannen en bij milieuproblemen. Daar zag ik hoe je ook hier zaken kunt ontwikkelen en verbeteren. In de jaren ’80 speelde de Lekkerkerk-affaire, waar een woonwijk op vervuilde grond was gebouwd. Mijn opa en oma woonden vlak bij die wijk dus ik heb de gevolgen van dichtbij gezien. Die ervaringen zorgden er mede voor dat ik duurzaamheid zo belangrijk vind.

Als pionier op het gebied van duurzaamheid was het niet altijd makkelijk. Zo bedachten we binnen Breda Duursaam het project van de Zonnewijde bij de Steenakker. We werden in eerste instantie voor gek verklaard! Ik ben er op een gegeven moment mee gestopt, maar uiteindelijk is het anderen wel gelukt: dit zonnepark is volledig met burgers uit de stad gefinancierd.
Uit Breda Duursaam zijn o.a. de Warmoezerij, de watertappunten, de VPRO Tegenlicht Meet-Ups en Pakhuis B voortgekomen. Dat eerste watertappunt, in het Valkenberg, daar hebben we hard voor moeten vechten. En nu zijn ze overal te vinden! Het is mooi om te zien dat er sindsdien stappen gemaakt zijn.

Door een groep mensen is  rond 2014 energiecoöperatie BRES opgericht. BRES wil huiseigenaren helpen om hun woning te verduurzamen. We doen dit door gemotiveerde en goed opgeleide vrijwilligers (onze energiecoaches) op bezoek te laten gaan bij geïnteresseerde woningeigenaren. Dat werkt heel goed. Ik ben destijds begonnen als vrijwilliger in het bestuur, maar al snel werd ik projectleider en heb me ingezet om de energiecoöperatie te ontwikkelen. In het begin voerde ik de gesprekken bij de mensen thuis, nu train ik  vrijwilligers, niet alleen in Breda, maar door het hele land. In Breda werken we samen met de gemeente via WoonWijsBreda, het Bredase energieloket. Huiseigenaren kunnen daar veel informatie vinden om hun woning te verduurzamen en een gesprek aan huis aanvragen met een energiecoach van BRES. Dat kost 25 euro. Op de website www.woonwijsbreda.nl staat meer informatie. 

Ik werk op dit moment aan meerdere  projecten. Het windmolenpark langs de A16 is er een van. Daar worden  28 windmolens geplaatst.  Bewoners langs de A16 hebben, samen met de lokale overheden, voor elkaar gekregen dat 25 % van het eigendom in handen komt van de gemeenschappen die er overlast van hebben. Dus niet alleen de lasten, maar ook een deel van de lusten!
Mijn rol  is meehelpen die bewonersparticipatie te ontwikkelen. Er was (en is nog steeds) best wel weerstand tegen de komst van die molens. Ik snap dat wel, het is niets niks om na de A16 en de Hogesnelheidslijn ook nog 28 windmolens voor de deur te krijgen. Aan de andere kant moeten we onze energievoorziening zo snel mogelijk verduurzamen, en windmolens en zonnepanelen spelen daarbij een belangrijke rol. Serieus naar de bezwaren luisteren, goed uitleggen wat we willen bereiken en laten zien dat omwonenden  ook  profijt hebben van dit project, dat is mijn insteek. Die 25 % wordt niet naar rato verdeeld over de belanghebbenden (dat zijn bewoners, sportclubs, maar ook bedrijven etc.) maar gaat in een fonds waarmee zij zo slim mogelijk hun woning of gebouw kunnen verduurzamen. En we willen met dat geld nieuw geld maken: bijvoorbeeld zonnedaken financieren die energie produceren. Alles wordt in de energietransitie gestoken. Er zal weerstand blijven, maar doordat het ook iets oplevert voor degene die er last van zullen hebben maken we er met zijn allen het beste van. 

Met hulp van onder andere het Dorpsplatform Prinsenbeek heb ik een projectaanvraag geschreven voor een aardgasvrije wijk. Het project is door de gemeente ingediend bij het ministerie van Binnenlandse Zaken. Het gaat om ongeveer vijfhonderd gebouwen in het hart van Prinsenbeek. Het idee achter het project is de bewoners van de wijk alle kennis, informatie en ondersteuning te bieden waarmee zij zelf de keuze kunnen maken of en hoe hun woning zonder aardgas verwarmd kan worden. Ik denk dat als bewoners zelf het initiatief nemen, zij veel meer invloed hebben op hoe dat aardgasvrij maken van de woningen gaat. Het is tenslotte hun huis en hun portemonnee!
We gaan met alle mensen in de wijk praten en samen bedenken hoe we dat aardgasvrij maken kunnen doen, niemand wordt gedwongen om mee te doen. Het streven is ook om dit woonlastenneutraal te doen. Als de subsidie van het ministerie wordt toegekend, kan dat lukken. 

Ik zie deze periode als een enorme kans, de coronacrisis is voor veel mensen verschrikkelijke tijd, maar ook een tijd waarin veel mensen ervaren hebben hoe fijn het is als er minder verkeer is, minder vliegtuiglawaai, schonere lucht. We hebben (weer) gemerkt hoe fijn het is om in de natuur te wandelen of te fietsen. Laten we met zijn allen de schouders eronder zetten en ervoor zorgen dat we sterker, socialer en duurzamer uit deze crisis komen. Ik denk dat er heel veel bewoners van Breda daaraan mee willen doen, neem ze mee, geef ze een rol. En  ga niet  te snel, ga bijvoorbeeld eerst eens alle daken vullen met zonnepanelen voor we daar weilanden aan opofferen. De energietransitie vraagt veel van bewoners, van overheden, gemeenten, bedrijven; we hebben echt iedereen nodig. Voor die bewustwording, die verandering, zet ik me  in.